A little bit of everything, all rolled into one

slecht nieuws

Slecht nieuws brengen, leerde ik van B, moet je direct doen. Als (huis)arts moet hij natuurlijk wel eens serieuze slechtnieuwsgesprekken voeren, dus in de opleiding besteden ze veel aandacht aan hoe je dat het beste doet.

Meteen zeggen dus. Geen doekjes om winden dus, niet uitstellen. Een korte aanloop om de ontvanger mentaal voor te bereiden, en dan zonder omhaal to the point komen.

‘Ik heb de uitslagen binnen, en ze zijn niet goed.’ Of, buiten de context van het ziekenhuis: ‘Laat ik maar meteen zeggen: ik heb geen leuk nieuws voor je.’

Het nieuws brengen. Daarna een stilte laten vallen, in afwachting van de reactie van je gesprekspartner. En dan het gesprek aangaan.

Mooi bedacht, maar dóe het maar eens. Deze week kon ik oefenen; ik had niet zulk leuk bericht voor een van de vaste opdrachtgevers van Einder. Geen kwestie van leven of dood natuurlijk, maar evengoed vervelend: het project dat we aan het doen zijn, loopt twee weken uit – terwijl de klant duidelijk had aangegeven dat dat geen optie was.

Nu heb ik er sowieso een hekel aan om mensen teleur te moeten stellen, en ik had dan ook alles geprobeerd om de situatie te voorkomen, maar ja, het was niet anders. En dan is het aan mij als projectleider om duidelijkheid te bieden.

Ik had het mailtje al bijna af – zorgvuldig gekozen woorden, goede opbouw – toen ik bedacht: laat ik tóch bellen. Mailen is voor mij in m’n comfort zone; zoals je weet voel ik me op schrift veel (taal)vaardiger dan mondeling, ik kan mijn woorden rustig afwegen en heb niet het probleem dat ik van de zenuwen veel te snel of onduidelijk ga praten.

Maar toen ik dacht ik aan wat B ook had gezegd: slecht nieuws kun je beter mondeling brengen, niet per mail of sms. Je ziet, hoort en voelt meteen hoe iemand reageert, je kunt zelf meer overbrengen hoe rot je het vindt, er ontstaat een gesprek waarin je er samen uit kunt komen.

Een mailtje is daarmee vergeleken wel heel hard en onpersoonlijk, je boodschap kan zomaar verkeerd vallen, en bovendien zit je na verzending de hele tijd in de zenuwen of de ander het al gelezen heeft en hoe hij/zij zal reageren.

Tja, maar dat maakt het nog niet leuk of eenvoudig om te doen. Bellen is veel meer de confrontatie aangaan. Kwetsbaarder, het ongemak opzoeken.

Nu weet ik dat deze opdrachtgever een heel prettig, redelijk en menselijk persoon is – dat maakte het misschien moeilijker om haar teleur te stellen, maar gaf me ook het laatste zetje om de telefoon te pakken. Met klamme handjes, dat wel.

Toe maar Suusie, zei ik tegen mezelf, niet nadenken, gewoon doen. Juist omdat je het eng vindt, valt hier veel te leren.

De klant nam op, ik bracht het nieuws. Ze was even stil. Tja, zei ze toen, ik begrijp het, dan is het niet anders. We raakten een beetje in gesprek en al pratend kwamen we erop uit dat die twee weken aan hun kant niet eens zo slecht uitkwamen – zomervakanties en zo – en tien minuten later hingen we opgewekt op.

Man, wat viel er een last van me af.

Nu wil dat natuurlijk niet zeggen dat élk slechtnieuwsgesprek zo loopt – soms blijft een situatie nu eenmaal vervelend, ongemakkelijk, rot, en zal iemand inderdaad boos worden of teleurgesteld zijn.

Maar ook dan: je komt er overheen, je komt er samen uit. Probeer het maar eens om te draaien: als iemand jóu slecht nieuws brengt, wil je toch doorgaans ook – misschien na een eerste golf van teleurstelling of boosheid – samen kijken hoe je er in de nieuwe situatie het beste kan maken? Het getuigt van volwassenheid om over hobbels en geschillen heen te kunnen stappen, de ander te vergeven. Je mag erop vertrouwen dat je gesprekspartner die volwassen houding heeft.

De reden dat ik er tegenop zie, dacht ik naderhand, is simpelweg weer die angst. Ik ben bang om afgewezen te worden, bang dat de ander me niet meer mag, bang om kansen te verliezen.

En nu ik dit schrijf realiseer ik me hoe belangrijk het is om juist deze situaties op te blijven zoeken. Vanwege de exposure (stel anderen maar heel vaak teleur en ontdek dat de wereld gewoon blijft draaien!) en om – liefst ongeacht de reactie van die ander – tegen mezelf te leren zeggen:

Kan gebeuren, Suusie. Het is oké.

0

toestemming

Regelmatig spookt de laatste weken een berichtje door mijn hoofd dat iemand me stuurde als reactie op mijn verhaal over vloggen, make-up en bezig zijn met je uiterlijk.

Sowieso kreeg ik op die post héél veel reacties, veel persoonlijke, bijzondere en inzichtelijke woorden. Laat ik beginnen met een paar andere fragmenten te delen, want er zaten veel dingen bij die me verder hielpen.

Iemand schreef bijvoorbeeld:

Je verwijst naar de babyboomer die tegen je zegt dat je een vak moet leren en jezelf nuttig moet maken. Maar in feite heb je een vak geleerd, je bent historica, een verhalenvertelster, iemand die anderen een spiegel voorhoudt, dus heel nuttig.

Ik las dit en dacht meteen: ja ja ja, o ja dat is het, zo is het en dat wil ik. Ik ben Suus en ik vertel verhalen. Dat, boven alles. (En hieruit ontstaat ook meteen een dieper verlangen: ik zou graag nog meer en vaker verhalen willen vertellen dan ik nu doe, ook andere verhalen, jouw en hun en onze verhalen, opschrijven, in beeld brengen, wat dan ook – ik voel het zo diep vanbinnen dat het bijna brandt.)

En iemand anders mailde me wat soortgelijks, waarbij hij zelfs nog een stukje verder inzoomde op het creatieve proces:

En toch… toch blijf ik het opzoeken. (…) Toch blijft het gevoel van iets MAKEN, iets met zorg samenstellen met een doel, iets waarbij zoveel verschillende puzzelstukjes bij elkaar moeten komen (editing, beeldmateriaal, effecten, onderwerpen etc.) een soort aantrekkingskracht hebben voor mij. De beste omschrijving is denk ik dat het voor mij geldt als creatieve uitlaatklep. Een uitlaatklep in de vorm van kortstondige projecten waar iets haast tastbaars uit komt. Iets waarin je andere mensen mee kunt nemen. Iets waarin ik een verhaal kan vertellen dat ik graag wil vertellen. 

Again: JA. Goede realisatie ook, dat ook de strubbelingen en twijfels (in dit geval met video’s maken) deel zijn van het creatieve proces. Omdat het per definitie kwetsbaar is. Met schrijven herken ik dat inmiddels goed – ik weet dat er bij élk verhaal dat ik maak een fase is waarin ik denk: GOD DIT WORDT HELEMAAL NIKS, WAAR BEN IK IN HEMELSNAAM MEE BEZIG. En dat ik dan gewoon stug door moet gaan en dat ik uiteindelijk, achteraf, vaak blij ben met het resultaat.

Is zelfs nog steeds zo met de blogjes die ik hier schrijf – terwijl, kom op, ik doe dit letterlijk m’n halve leven! Toch kan ik nog steeds denken dat “de dingen die ik nu schrijf veel matiger zijn dan een tijd geleden, vroeger schreef ik mooier en beter en scherper”, et cetera. Lees ik stukjes terug van bijvoorbeeld vijf jaar of nog langer geleden, dan ben ik bijna verbaasd (in positieve zin) over hoe ik toen schreef. Terwijl ik ook weet dat ik toen niet bijster blij was met m’n meeste schrijfsels.

Goed, ik dwaal af – terug naar waar ik deze post mee begon. Iemand schreef me dus een berichtje waaruit één zin specifiek bleef hangen:

Ik vind het juist heel positief als mensen er niet helemaal gelikt uitzien, daarmee geef je anderen ook ruimte en toestemming om niet supermodel-mooi te zijn.

Spijker op z’n kop. Elkaar toestemming geven, mooi gezegd vind ik dat.

Ik moest meteen denken aan hoe ik laatst spontaan langskwam bij S, zij de deur opendeed en een van de eerste dingen die ze zei was: ‘ik dacht nog, moet ik nou make-up op mijn hoofd smeren maar toen dacht ik, ach nee het is Suusie, dat is toch niet nodig, en ik ben blij te zien dat jij ook niets op hebt’.

Ik moest lachen en zei haar dat ik, voordat ik op de fiets stapte, inderdaad precies dezelfde gedachte had. Ik ga naar S en die vindt het prima als ik gewoon in mijn chill-trui en zonder make-up op haar bank zit, die vindt me niet minder leuk zo.

Hoe fijn is het als je – zéker bij de mensen die dichtbij je staan – je niet mooier, beter, gelikter of gezelliger hoeft voor te doen dan je bent? Dat je gewoon jij mag zijn, zonder maskers.

Sterker nog, wie zegt er eigenlijk dat je dan minder ‘mooi’ bent? Dat is zo’n diepgeworteld idee, de mooie versie van jezelf is de versie waarvoor je moeite hebt gedaan. Uh, waarom eigenlijk – is dat wel zo? Ik keek laatst een video van YouTuber Marije (ditgebeurterals) die een week lang zonder make-up door het leven ging. In alle eerlijkheid, mijn eerste gedachte bij haar ‘natuurlijke’ gezicht was: meid wat ben je prachtig zo, wat zonde om die puurheid altijd te willen verbergen en het gevoel te hebben dat het niet goed genoeg is…

(Nog even los van het feit dat ik me realiseer dat dit óók weer klinkt als ‘oordeel’ en dat de focus op deze manier nog steeds op uiterlijk ligt, het hele punt is denk ik, en nu citeer ik weer een lezeres van die avondpraat-blog: je bent niet óf nep óf echt, je kunt een eerlijke vlog maken met mascara op, en de keer daarna met mascara én bb cream, of wat je maar wil! We nemen je serieus. En je ‘moet’ helemaal niks.)

Maar goed, elkaar toestemming geven dus. Wat ik ook ervaar is dat je, juist door zulke kwetsbaarheid te tonen, dichter bij elkaar komt. Doordat je niet bezig bent jezelf te “presenteren” naar de ander, kun je meer aandacht richten op het gewoon zijn, op het contact. Je hoeft de ander er niet – met mooie kleren, een opgemaakt gezicht, de nieuwste telefoon of wat dan ook – van te overtuigen dat je cool bent. Want je bent het al.

Dat neemt overigens niet weg dat het soms fijn is om tijd en energie te besteden aan je uiterlijk – ook dat kan een vorm van zelfzorg zijn. Ik denk dan vaak terug aan iets wat (ik geloof) Lianne ooit schreef: dat het supercomfortabel kan voelen om altijd rond te lopen in je chillpants en met een slordige knot op je hoofd, maar dat het evengoed getuigt van zorg en zelfliefde om je haren te kammen, een fijne crème op je huid te smeren en wat moois aan te trekken.

En zo blijkt maar weer dat de tagline van Suushi (overigens ooit gejat uit het liedje Bitch van Meredith Brooks) nog altijd geldend is:

I’m a little bit of everything, all rolled into one.

0

vergeving

Soms vind ik het confronterend om te bedenken dat ik over een maand 29 word, en nog steeds

nog stééds zo bezig kan zijn met wat anderen over mij denken. Hoe het nog altijd mijn gedachten kan beheersen en ik me er mijn gedrag op aanpas. Het is wel wat minder dan vroeger hoor, ben ik geneigd daar meteen achteraan te typen – maar is dat wel zo?

Sinds een tijdje ben ik bewust aan het oefenen, mezelf exposure aan het geven. Mezelf blootstellen aan mijn angsten. Het is namelijk allemaal angst, natuurlijk, diepgewortelde angst voor afwijzing, angst dat mensen me niet leuk vinden – en dat ze me (dus) verlaten, of ik minder kansen krijg in het leven.

Maar hey, laat ik het eens omdraaien: welke kansen ontneem ik mezelf door zo te leven?

Hoe dan ook: exposure, zal elke therapeut je vertellen, is een van de meeste effectieve remedies tegen angst. Zelf heb ik dat vaak genoeg ervaren. Vroeger vond ik het bijvoorbeeld doodeng om mensen te bellen, helemaal als anderen me konden horen terwijl ik belde. Nou, een paar maanden werken als journalist helpt je daar wel vanaf. En nadat ik een (klein) auto-ongeluk veroorzaakte, had ik maandenlang paniekaanvallen achter het stuur. Door toch stug door te blijven rijden – en samen met B mijn gedachten te onderzoeken: waar ligt de angst in, is dat waar, is dat reëel? – zijn ze op een gegeven moment ‘vanzelf’ overgegaan.

Maar ja, bel- en rij-angst zijn (althans voor mij) een stuk kleiner en overzichtelijker dan die diepe angst om raar of stom gevonden te worden.

En terwijl ik dat zo typ denk ik weer: en wat dan nog? Wat als mensen je inderdaad raar of stom vinden, of het niet eens zijn met wat je doet, so what? Waarom ben je daar nu zo bang voor, wat is het ergste dat er kan gebeuren?

Intussen blijft mijn hoofd fulltime aan het werk om alle mogelijke scenario’s uit te denken, alles om maar de illusie van grip te ervaren, om niet onverwacht afgewezen te worden. Interessant ergens wel, om keer op keer te merken hoe vaak ik zulke kronkels heb – want keer op keer blijkt dat er niets van klopt.

Toen ik deze week bijvoorbeeld als een van de eersten wegging op de bruiloft van E en J, was ik bang dat mijn lieve vriendin daar heel teleurgesteld over zou zijn. (Het was trouwens wel een stap in ‘zelfzorg’ om het wél te doen; ik was al een tijdje op, vroeger zou ik het uitzitten, nu bedacht ik me dat zij dat waarschijnlijk ook niet zou hebben gewild – andersom zou ik het in elk geval niet fijn vinden als mensen tegen hun zin op mijn feestje zouden blijven.)

Hoe dan ook, het bleef de dagen erna knagen (en in mijn hoofd wordt zoiets al snel: ‘slechte vriendin, ze heeft nu natuurlijk spijt dat ze jou als getuige heeft gevraagd’), dus ik besloot het bij haar te checken. Haar reactie: oh joh, ik heb helemaal niet geregistreerd wanneer iedereen weg ging, ik vond het vooral fijn dat mensen niet allemaal tegelijk gingen zodat ik met iedereen nog even kon praten.

Zo zie je maar.

Zulke voorbeelden heb ik te over. Gisteravond nog, toen de Journalist hier kwam eten en rond 10 uur na zijn kop thee aankondigde dat hij er maar weer eens vandoor ging. Ik denk dan meteen: heb ik iets verkeerds gezegd, waarom ga je al? Terwijl ik zelf ook zo vaak rond 10 uur naar huis wil omdat ik moe ben.

Ik heb dit niet bij hem gecheckt maar eigenlijk denk ik ook: zelfs áls hij naar huis ging omdat hij even genoeg van me had, hoe erg is dat? Moet ik dan voortaan mijn gedrag aanpassen om dit te voorkomen? Nee, dat is nu juist het punt – ik wil het durven laten botsen en schuren, en zo ook mijn ruimte (meer) in gaan nemen.

Goed, die exposure dus. Hoe dan? Zo bijvoorbeeld:

  • In sociale situaties bewust ‘gewoon erbij zitten’, niet leuk en gezellig doen. In mijn hoofd vindt iedereen me dan saai, tegelijkertijd kost dat ‘gezellig doen’ vaak bakken energie.
  • Niet meer lange tijd van tevoren alle afspraken vastleggen – en bijvoorbeeld beloven dat ik naar feestjes of verjaardagen kom. Zelf wil ik veel liever de vrijheid voelen om wel of niet te gaan, afhankelijk van hoe alles op dat moment is en loopt.
  • Blijven vloggen en video’s maken. Ook al poppen in mijn hoofd nog altijd regelmatig hoofdjes/stemmen op van mensen in mijn omgeving die dan roepen hoe stom, egocentrisch en oppervlakkig dit is. Ik vind het leuk om te maken en als je het niets vindt, hóef je het niet te kijken.
  • Zonder make-up de deur uit (blijven) gaan, juist ook naar sociale afspraken. Ik doe dit gelukkig regelmatig en hoewel het soms enorm kwetsbaar voelt (zeker als m’n gesprekspartner duidelijk wél voor de spiegel heeft gestaan) ben ik ook blij dat ik het kan. (Hier volgt nog een blogje over.)
  • Tijd alleen doorbrengen. Ook – juist – als ik niet weet wat ik met mezelf aan moet.
  • Bewust dingen doen waarvan ik weet (of nee: waarvan ik dénk te weten) dat anderen het niet ‘likeable’ vinden.

En ach, nu ik dit allemaal heb opgeschreven en het nog eens doorlees, denk ik ineens: misschien is mezelf altijd maar weer over m’n angsten heen pushen de remedie niet. Niet altijd, in elk geval. Zoals ik gisteren al schreef, het voornaamste dat mensen in m’n omgeving me teruggeven is dat ik te streng en te hard voor mijzelf ben.

Mildheid, dat brengt me veel verder geloof ik. Zachtheid in me creëren, vergeving voelen. Zorgen voor de kleine Suusie in mij.

Deze week las ik een passage in een boek dat ik aan het lezen ben (De ware worden van Margo den Ouden en Rinke Verkerk – meer hierover in m’n vlog morgen!) die me raakte:

Wat het ook is, kies er vandaag nog voor om jezelf te vergeven. Geloof niet in een leugen over jezelf. Weet dat niemand vrij is van het maken van fouten. Weet dat je niet alleen bent. Weet dat je meer bent dan je fouten. Weet dat je verleden je toekomst niet hoeft te definiëren. Weet dat je jezelf niet hoeft te straffen door jezelf niet te vergeven. je hebt zo veel meer talenten, liefde, licht en leven in je dan de fouten die je hebt gemaakt. Ga in deze nieuwe waarheid over jezelf geloven.

Ja, vergeving en zachtheid. Je eigen beste vriendin worden, ik schreef het al vaker.

Verdomme, mooie vrouw, gun jezelf dat nu eens!
Wat is dán eigenlijk het ergste dat er kan gebeuren?

0

Genoeg

Zelfcompassie. Lief zijn voor de Suusie. Ja, jeetje, het blijft een proces van vallen en opstaan. Dat is oké natuurlijk, maar ook ingewikkeld. Vanavond, terwijl ik in een pan soep stond te roeren en de neiging had steeds naar boven te rennen – want daar lag mijn telefoon en dan kon ik weer even scrollen – drong tot me door: ik wil weg uit het hier en nu, want hier en nu ben ik zelf en die zelf is de laatste tijd weer een harde, medogenloze Suzer voor wie het allemaal nooit genoeg is.

Je werkt niet hard genoeg.
Je bent niet mooi genoeg.
Je doet niet genoeg je best.
Je bent geen goede vriendin voor mensen.
Je bent niet fit genoeg.
Je kleding is niet leuk genoeg.
Je vergeet te veel.
Je let niet genoeg op je geld.
Je eet niet gezond genoeg.
Je bent geen leuke huisgenote.
Je beweegt niet genoeg.
Je gedraagt je niet sociaal genoeg.

Allemaal niet genoeg.

Au, best pijnlijk om al die dingen zo eens onder elkaar op te schrijven. En geen wonder eigenlijk, dat ik graag weg wil bij mezelf. Begrijpelijk – het is daar helemaal niet leuk met die gemene criticus die me continu de grond in stampt. Logisch dat ik continu afleiding zoek, onrustig ben. Me naar voel.

En met dat besef komt ineens de zachtheid terug. Mededogen.

Goed om op te merken dat het belangrijk is om ook in dit proces weer zacht voor mezelf zijn: het geeft niet Susie, kan gebeuren dat je het even kwijt was, kom nu maar weer terug, het is veilig. En je bent genoeg.

Nu probeer ik het weer om te keren. Het goed te maken met mezelf. Dus kocht ik afgelopen weekend een kleurige bos lentebloemen voor op mijn kamer. Mocht ik van mezelf m’n AH-mandje helemaal vol gooien met alle lekkere boodschappen waar ik maar zin in had: gerookte forel, Tony’s donkere melk, bosbessen, aardbeien, witte bakkersbollen, dure honingtomaatjes, pure hagelslag. Het is feest vandaag Susie, feest de hele week, je mag alles, je verdient dat.

Wat ook helpt is te visualiseren welke keus ik zou maken als het om een goede vriendin zou gaan. Kamer opruimen? Geen zin in, zegt mijn hoofd dan, ik ben moe, laat maar joh. Maar nee, als hier een vriendin kwam chillen zou ik wél even stofzuigen en de afwas naar beneden brengen – dus nu ook voor mijzelf. Kwam iemand anders bankhangen, dan zette ik een gezellig muziekje aan en maakte ik een lekkere kop thee – dus nu ook voor mij alleen. Klinkt zo logisch he, maar al die kleine dingen gaan bij mij dus niet vanzelf. Het kost energie, werkelijk zorgzaam te zijn voor de Susie. Maar het is mijn taak.

Vandaag voelde ik me fysiek niet lekker; keel- en hoofdpijn, zeer lijf. Na een dag thuiswerken ging ik aan het eind van de dag in een warm bad. Olie erin, boekje erbij, en naderhand mezelf helemaal insmeren met lekker geurende bodylotion (die ik ook dit weekend kocht in het kader van ‘liever zijn voor mijn lijf, haar koesteren’). En nu, nu lig ik op de bank met mijn boek en voel dat ik eindelijk weer een beetje land. Hier en nu.

0

Op retraite bij de Maanhoeve: mijn ervaring

Dus ik ging een weekend op retraite bij de Maanhoeve, een lieflijke boerderij tussen de velden. Hoe was dat?

Nou, als ik één woord moet noemen: bijzonder – al is dat natuurlijk ook vrij nietszeggend. Wat ik deed? Het was een mindfulness-en-compassieretraite, en het programma zag er per dag ongeveer zo uit:

Gewekt worden (7.15 uur) met gezang en een klankschaal
Naar de grote zendo voor ochtendmeditatie
Ontbijt
Wat tijd voor jezelf
Bewegingsoefeningen (yin yoga, tai chi)
Meditatie
Loopmeditatie/wandeling
Lunch: lekkere broodjes met soep, allemaal biologisch en supersmaakvol
Wat tijd voor jezelf
Meditatie
Meer meditatie
Diner, met heerlijke taart als toetje
Wat tijd voor jezelf
Avondmeditatie (één avond afgesloten met het reciteren van een mantra)
Naar bed; edele stilte tot na het ontbijt de volgende dag

Tja, dat klinkt allemaal misschien niet zo indrukwekkend. Ik bedoel: toen ik het schema voor het eerst op de deur zag hangen, dacht ik: ‘is dit niet heel veel herhaling en veel van hetzelfde?’ Maar nee, allesbehalve. Elke meditatie had een ander thema, en sowieso: elk moment voelde het weer anders.

Strijd in je hoofd

Soms was er veel strijd in mij. Soms zat of lag ik heerlijk op mijn bankje/kussen/matje, me focussend op mijn ademhaling of de geluiden om me heen of wat er verder in en bij mij gebeurde.

Soms schoten mijn gedachten alle kanten op. Soms was ik redelijk kalm en rustig. Soms had ik veel oordelen naar mezelf. Soms had ik m’n beide handen op mijn hart, zond er in gedachten compassie heen en voelde mijn eigen warmte.

Ja, bijzonder, dat is toch zeker wel het goede woord. We waren met veertien vrouwen – inclusief de twee trainers – en wat me misschien nog wel het meest bijblijft, is hoezeer je een band kunt opbouwen met mensen terwijl je gewoon stil bent. Samen stil. Samen bij jezelf.

Zondagochtend, na weer een half uur mediteren, werd ons gevraagd om, als we dat wilden, iets te delen in de groep. Hoe we er nu bij zaten. Of waar we aan dachten. Het zweet brak me meteen uit (IETS ZEGGEN IN DEZE GROTE KRING? WAT DAN? IEDEREEN DIE NAAR MIJ KIJKT? HOE DAN?), m’n hart begon te bonken en ik voelde me duizend kwetsbaar.

Terwijl ik niet eens iets hoefde te zeggen. Want voor alles dit weekend gold: doe wat goed voelt voor jou. Niets doen is ook oké, net zo oké.

Iets bijdragen

Toen ik, nadat een paar andere deelnemers iets hadden gedeeld, toch het woord nam, verstikte de emotie bijna meteen mijn stem. Toch voelde het op de een of andere manier goed en fijn om iets bij te dragen, ongeacht wat. ‘Ik vind dit best eng om te doen’, zei ik maar gewoon, ‘niet omdat er niets te zeggen valt, want er is van alles te zeggen, maar…’

De uitnodiging was om niet op elkaars woorden te reageren, maar gewoon te blijven luisteren, de uitspraken er te laten zijn. “Dat vond ik zo moeilijk”, zei een van die andere mooie vrouwen achteraf. “Als ik zie dat iemand tranen in haar ogen geeft wil ik haar gewoon even vasthouden, zo van, kom hier!”, en ze gaf me een knuffel.

Ik vond het heel fijn dat ze dat deed – het schiep meteen een band. En tegelijkertijd dacht ik: weet je, op dat moment hoefde ik niet per se een knuffel. Het was juist prettig dat mijn woorden er gewoon mochten zijn, dat ze niet meteen werden toegedekt, er geen label op werd geplakt (ook geen ‘o jee wat naar voor je’).

Iets om te onthouden.

Compassie zenden

Zo waren er nog meer dingen, veel meer. Zoals de compassie-oefening waarbij je in gedachten steeds liefde zond naar de mensen in je leven: eerst degene het dichtst bij je, dan de mensen met wie je woont, met wie je werkt, die je tegenkomt in de supermarkt. En ten slotte: liefde en compassie zenden naar iemand met wie je ruzie hebt, met wie het wringt, die boos op je is of die jou pijn heeft gedaan.

Ja jeetje zeg, dat is toch wel heel goed om vaker te gaan doen.

Ook niet te vergeten: hoe lekker het eten was – liefdevol bereid door Wim en Ida van de Maanhoeve –, hoe warm, open en inspirerend Marlie en Mabeth, de twee trainers. Is het gek om te zeggen dat ik hen een beetje mis?

De laatste twee oefeningen van het weekend waren misschien wel de allermooiste. Eerst vroegen Marlie en Mabeth ons om een woord, of een paar woorden, of een zin te delen over het weekend. Samen, zeiden mensen, liefde en gelukdankbaarheid, verbonden zijn, dat dit alles er gewoon mag zijn.

Voor mij, zei ik, blijven twee dingen van dit weekend me zeker bij: ten eerste, dat ik me zo ontzettend geaccepteerd voel in een groep mensen die ik twee dagen geleden nog niet kende. (Interessant overigens, besef ik nu, in hoeverre dat te maken heeft met of mensen zich echt anders naar mij gedroegen dan ‘normaal’, of dat ik zélf een stuk milder was, mezelf ruimte gaf, minder oordelen had, minder gepieker over hoe anderen me zouden zien.)

Ten tweede: het besef dat ik eigenlijk best heel erg goed alleen met mezelf kan zijn. Dat ik kan thuiskomen bij mezelf, in de liefdevolle vriendelijkheid die we dit weekend samen oefenden. Dat ik dat veel beter kan dan ik soms denk – en dat het veel minder eng is dan ik lang dacht. Of, in de woorden van één van de andere deelnemers: I am my own best friend.

Wat je nodig hebt

En toen, voordat het écht tijd was om weer naar huis te gaan, plaatsten we zeven stoelen in een kleine kring. De helft van ons ging erop zitten, de andere helft ging elk achter één stoel staan. ‘Bedenk eens’, zei Marlie tegen de staande mensen, ‘wat jij op dit moment het allerliefst van iemand zou horen, welke woorden jij nu het meest nodig hebt?’

We sloten onze ogen een paar minuten, dachten na. ‘En’, zei Marlie, ‘fluister datgene dat je net bedacht hebt in het oor van degene voor je. Draai daarna door naar de volgende stoel, totdat we allemaal de hele cirkel rond zijn.’

Daarna wisselden de staande en zittende mensen, zodat we uiteindelijk allemaal zeven verschillende – en ergens toch ook zo vergelijkbare! – liefdevolle wensen in ons oor gefluisterd hadden gekregen. Nou, ik kan je zeggen, dat maakt indruk hoor.

Wat mijn woorden waren?
Ik zeg ze ook graag tegen jou (doe maar even alsof ik naast je sta):

Je mag er gewoon zijn. Ik ben blij dat je er bent.

0