A little bit of everything, all rolled into one

Vegan voor beginners: 4 tips voor startende planteneters

Plantaardig eten is de toekomst. Beter voor de planeet, immers, en – als je het goed doet – ook beter voor je lijf. Maar eh… waar begin je nou eigenlijk, als verstokte carnivoor?

Weet je, als ik het even op me in laat werken vind ik het zo ontzettend gááf. Hoeveel er al ís, wat er gebeurt en hoe hard het ineens gaat.

Ik herinner me dat ik als student een weekje vegan probeerde te eten – iedereen keek me raar aan en ik gaf het al na een paar dagen op. Vegetariër zijn was trouwens al best moeilijk; in restaurants was je veroordeeld tot een saaie groentelasagne of geitenkaassalade.

Dat is nog maar tien jaar geleden.
En jongens, kijk nou toch!

Vorige week in de IKEA.

Het is 2020 en grote bedrijven verkennen serieus de plantaardige voedselmarkt. Het vegan assortiment van supermarkten groeit giga-snel en Burger King verkoopt sinds kort een plantaardige Whopper. Onlangs zag ik in Volkskrant Magazine een advertentie waarbij wijnen werden aangepijsd met het argument ‘en ze zijn ook nog eens vegan’. Hier in de stad hangen deze maand overal posters van het plantaardige merk Flora: ‘boter, maar dan beter’.

Wauw, wat gaat het hard.

Ja, natuurlijk zijn er nog genoeg mensen die veganistisch eten zien als ‘extreem’. Maar dat worden er steeds minder. Wat natuurlijk enorm helpt, is dat vegan voedsel een enorme imagoverbetering heeft ondergaan. Celebrities als Beyoncé en Billie Eilish zijn veganist. Maar ook bijvoorbeeld showbizzveteranen als Paul McCartney, Moby, Brad Pitt en Madonna eten plantaardig.

Zelf heb ik inmiddels meer vegetarische dan vleesetende vrienden. Mijn beste vriendin E en ik zijn op dit moment allebei aan het switchen naar een vegan leefstijl. Mijn schoonouders eten grotendeels plantaardig. En hoewel ik nog steeds samenwoon met een kaasmonster, zie ik dat ‘mijn’ transitie ook invloed heeft op hoe B naar zijn eten kijkt.

Oké, allemaal mooie ontwikkelingen.

Tegelijkertijd realiseer ik me dat dit ook mijn bubbel is. In het linkse, hoogopgeleide, progressieve milieu waarin ik verkeer kan dit allemaal vrij probleemloos – daarbuiten is vlees nog vaak de norm. En zoals Des treffend schreef: niet iedereen kan het zich veroorloven om hiermee bezig te zijn.

Kun jij dat wél, lees dan gauw verder!

In deze blog ga ik er vanuit dat je er al van overtuigd bent dat je (meer) plantaardig wilt eten. Als je wilt weten waarom een mens in godsnaam herbivoor zou worden, zijn daar gelukkig héél veel goede boeken, films en blogposts over geschreven waar mensen met meer kennis, kunde en ervaring je daar alles over kunnen vertellen.

Twee tips:

Oké, dan mijn tips om herbivoor te worden. Komen ze:

1. Begin klein

Start je weg naar plantaardig(er) eten op een manier die bij jou en je leefstijl past. Je maakt het jezelf makkelijker als jouw vergan eetpatroon niet te veel afwijkt van het omnivore voedsel dat je tot nu toe at. Ja, uiteindelijk eet je als veganist gevarieerder – en ik durf wel te zeggen: lékkerder – als je plantenvoedsel aan je voedingspatroon toevoegt dat je misschien nog niet kent.

Denk aan verschillende soorten bonen, granen als bulgur en parelcouscous, smaakmakers als chipotlepepers en edelgist.

Maar het is cruciaal dat je manier van eten vertrouwd blijft aanvoelen. Het moet namelijk niet gaan voelen als iets wat je ‘volhoudt’.

Dus eet je ‘s avonds graag aardappelen-groenten-vlees? Ga voor aardappel-groenten-vegaburger (er zijn inmiddels duizend soorten). Is jouw ontbijt meestal iets met yoghurt of melk? Koop plantaardige zuivel en houd de rest van de ingrediënten hetzelfde. Zo maak je de stapjes voor jezelf klein en aanvaardbaar.

Ook quiche kan heel goed veganistisch!

Een aantal dingen die je bijvoorbeeld kunt vervangen:

  • Op brood: vegetarische kipfilet, boterhamworst, filet americain of hummus in plaats van vlees en kaas. Pindakaas en andere notenpasta’s zijn trouwens ook plantaardig, net als jam, appelstroop en sommige soorten hagelslag.
  • Plantaardige roomboter (Flora) in plaats van koeienboter.
  • Ongezoete soja-, amandel- of havermelk in plaats van koemelk. Idem voor kookroom; de supermarkt heeft steeds meer plantaardige varianten.
  • Tussendoor: vegan muesli- en notenrepen (bijvoorbeeld die van Nakd of Trek), pure chocolade (check of er geen melkpoeder inzit; cacaoboter is overigens wel plantaardig!). Tony’s pure chocolade-varianten. O ja en er zijn tegenwoordig ook vegan Magnums en ik vind ze een succes.
  • Diner: vegetarische ‘kipstukjes’ in plaats van dode vogeltjes. De Beyond Meat-burger (en worsten van hetzelfde merk). Plantaardig gehakt door de pastasaus of lasagne. Vegan mayonaise van Remia.
  • Voor in het weekend: de meeste afbakbroodjes zijn gewoon vegan, net als het croissantdeeg van Danerolle. En hé, vruchtensap natuurlijk ook! En heb je zin in pannenkoeken, dan heb ik ook een lekker recept voor je.

Lees ook: 10x vegan producten uit de supermarkt

2. Eet genoeg zoetigheid, snacks en comfort food

Tijdens de eerdere (korte) plantaardige episodes in mijn leven merkte ik vooral dat ik al snel héél gezond ging eten. Plantaardig eten ís natuurlijk ook vaak gezonder dan dierlijk voedsel: je eet al gauw veel groenten, fruit, granen en producten op basis van soja.

Hartstikke mooi, maar het zorgde er wel voor dat mijn brein dat vegan eten als een soort dieet ging zien. En ik weet niet hoe het met jou zit, maar de meeste mensen houden diëten niet eeuwig vol.

Soms wil je gewoon vet, suikerrijk comfort food. (Ik wel tenminste.)

Precies om die reden ga ik nu actief op zoek naar ‘lekkere’ (=ongezonde) plantaardige dingen. Zodat ik m’n snaai-brein leer dat vegan eten ook romig, zacht, zoet en vullend kan zijn. Nu ik bijvoorbeeld heerlijke vegan fudge brownies heb ontdekt, droom ik een stuk minder over mijn favoriete cheesecake van de Bakkerswinkel.

Lekkere vegan taartjes in Utrecht vind je bijvoorbeeld bij:

  • Rose & Vanilla (Amsterdamsestraatweg 13), ik schreef er al eerder over. Let op: niet alles is hier vegan, maar de meeste taartjes wel. Mijn favoriet is de choco-kokostaart, je proeft daarin eigenlijk geen kokos en de textuur is die van ganache.
  • ‘t Koffieboontje (Oudegracht 92). Dit is een koffietentje (goh!) en je kunt er ook afhalen. Ze hebben drie soorten vegan taartjes, volgens mij zijn ze ook raw. Allemaal goed, die met chocolade en bergamot (!) vind ik het lekkerst.
  • Ekoplaza (Amsterdamsestraatweg 15 / Twijnstraat 46 / Nachtegaalstraat 51A). Ja ja, ook bij de biosuper prima vegan taartjes. De carrot cake vond ik niet zo, maar hun fudge brownies zijn fantastisch.
  • Life’s A Peach. Hier moet ik nog heen, dus recensie volgt snel. Maar dit is dus echt een vegan bakkerij dus ik ben héél benieuwd.
  • Bammetje. Idem. Je moet er alleen van tevoren bestellen en dat vergeet ik steeds. Komt! ;-)
Ook vegan: de kaneelbroodjes van Albert Heijn! Je vindt ze op de broodafdeling.

3. Gun jezelf de tijd

Eerlijk is eerlijk: nep-kip komt tegenwoordig aardig in de buurt, maar het heeft gewoon niet de malse zachtheid van een kippenborstje. En hoe absurd veel de Beyond Meat-burger ook op een ‘echte’ hamburger lijkt, uiteindelijk ís het natuurlijk geen koe.

Plantaardig voedsel kan dus best wennen zijn, als je al 30, 40 of 50 jaar dierlijke dingen eet. Het kost tijd om vertrouwd te raken met nieuwe smaken en texturen.

Aan het Syrische eten van Moush Moush kon ik toch wel wennen :-)

Maar dat je er aanvankelijk niet super-enthousiast over ben, betekent niet dat je het niet kunt léren eten. Zo hoor ik van meerdere mensen in mijn omgeving dat ze behoorlijk moesten wennen aan cappuccino met plantaardige melk, maar na vaak genoeg proberen nu niet meer anders willen (en nu zelfs gruwelen van koeienzuivel).

Zelf ruik en proef ik in koeienyoghurt tegenwoordig een vaag stal-aroma (lees: mestlucht) dat ik vroeger nooit opmerkte.

Eind juli lepelde ik op de Franse camping likkebaardend een half bakje epoisses leeg. Maar toen ik vorige week weer eens een afbakpizza met vier kazen at, dacht ik: hmm, is dit het nou? Zelfde toen ik laatst een paar blokjes oude kaas nam was ik niet zo onder de indruk – ik vond ze vooral heel erg zout.

Je brein en smaakpapillen zijn flexibel. Andere smaken wénnen. Echt. En hé, je hebt de tijd.

4. Je hoeft het niet alleen te doen

Tot slot: vergeet niet dat je niet de eerste of enige persoon in de wereld bent die bezig is met plantaardig(er) eten. Steeds meer mensen in Nederland eten veganistisch.

Ik merk dat het mij ontzettend veel support geeft dat anderen in mijn omgeving ook (deels) plantaardig eten. Het helpt gewoon om het met E te hebben over de sociale kanten van je transitie (‘kan ik mijn omgeving vragen om zich aan te passen?’), om fijne mailtjes met receptentips te krijgen van lezers op Suushi en om jullie reacties en adviezen te lezen.

Dat geldt dus ook voor jou. Je bent niet alleen.

Ik ben er. Tientallen andere Nederlandse bloggers zijn er (De Groene Meisjes, The Vegan Effect, The Monkey and the Elephant, Mille Pagine, Lisa Goes Vegan, Lisa Steltenpool – kennen jullie nog andere leuke?). En als je buiten de landsgrenzen gaat kijken vind je nog véél meer tips, inspiratie en harten-onder-de-riem.

Maar goed ook, want eten is nu eenmaal een sociaal en cultureel gebeuren.

Ook als je betere dingen te doen hebt dan de hele dag nadenken over je volgende maaltijd (ik snap dat niet iedereen zo’n foodie is ;-)), kan het erg fijn zijn om af en toe te sparren over je nieuwe eetgewoontes. Om een ander te vragen hoe hij een ei vervangt, wat haar ervaringen zijn met vegan parmezaanse kaas, hoe je dat rare jackfruit nou moet bereiden en welke sojakwark het lekkerst is.

Kortom, ga niet op een plantaardig eilandje zitten. Zoek anderen op, vraag hulp, vind steun.

En ontdek hoeveel kracht en verbinding je daardoor ervaart.

#krachtvoer
1+

Locktober

Nou jongens, daar gaan we dan weer.

Kaartje uit de Volkskrant

Toegegeven, het is natuurlijk geen verrassing allemaal. Wie wel eens het bordspel Pandemic heeft gespeeld, weet hoe gruwelijk snel een virusuitbraak uit de hand kan lopen. Zoals de premier al zei: wat vandaag nog nauwelijks een probleem is, kan over een week een ramp zijn waar we geen grip meer op hebben.

Tja, exponentiële groei hè. Ik heb nog nooit zo vaak teruggedacht aan mijn wiskundelessen op de middelbare school als dit jaar.

Maar oké, de stand van zaken: het Einder-kantoor weer drie weken dicht, de wijnclub die ik 31 oktober zou organiseren op (zeer) losse schroeven, de NVJ-training die ik komende maand ging doen gecanceld en de schrijftraining die ik zélf zou geven, gaat waarschijnlijk ook niet door.

In betere tijden, toen ik nog wél schrijftraining kon geven. Lees: amper twee weken terug. (Schrijftraining betekent trouwens niet dat ik op het schoolbord voordoe hoe je een pen vasthoudt, maar dat had je hopelijk door.)

Vooruit, in eerste instantie is het allemaal voor drie weken. En voor de duidelijkheid: ik ben ‘blij’ dat onze overheid de pandemie serieus neemt en tegelijkertijd nuchter blijft. Je zal maar zo’n creep als Trump of Bolsonaro hebben om je door deze crisis heen te loodsen… brr.

We zijn er nog wel even zoet mee

Maar dat neemt niet weg dat het allemaal best heftig is. Terwijl ik de laatste weken – of eigenlijk al sinds juni – min of meer door het leven bewoog alsof er geen virus rondwaart*, voelt dat in één klap weer totaal anders.

*Oké, helemaal normaal waren afgelopen maanden natuurlijk niet. Liefsten niet knuffelen blijft onwennig.

Als ik er langer over nadenk, zijn het niet de maatregelen die me ineens weer op een ander denkspoor zetten. De heftigheid zit ‘m er vooral in dat langzaam tot me begint door te dringen dat die hele corona écht niet zomaar weg is.

Weet je nog toen we aan het begin van het jaar half lachend tegen elkaar zeiden ‘dat dat virus tegen de kerst vast wel weer verdwenen zou zijn’?

In De Correspondent las ik deze week dat het nog maar de vraag is hoe snel een vaccin ons uit de brand gaat helpen – áls er al binnen een jaar een veilig vaccin komt, wat óók nog maar zeer de vraag is. Ten eerste weten we niet hoe effectief zo’n vaccin is (hoe lang ben je bijvoorbeeld beschermd?), en daarnaast vermoedt men dat een kwart van de Nederlanders de prik gaat weigeren. En dat betekent dat de mensen die zich wél laten inenten, een kwalitatief beter vaccin toegediend moeten krijgen, anders komt die groepsimmuniteit er niet.

En dan zijn er nog de praktische bezwaren: wie gaat al die miljoenen (miljarden) mensen inenten? De toch-al-zwaar-overbelaste GGD’s? De huisartsen, die elk najaar al overuren draaien om een handvol patiënten de griepprik te geven?

Niet bang, maar wel bezorgd

Oké, ik ben geen expert dus ik ga deze semifeitelijke borrelpraat nu afkappen ;-) Mijn punt is: niemand weet hoe lang dit nog duurt. Een jaar, twee jaar, vijf?

Ik wil je niet bang maken. Voor het virus zelf voel ik op dit moment ook geen angst – al gedraag ik me aanmerkelijk voorzichtiger sinds we van Sanquin hoorden dat B’s antistoffen al bijna op zijn.

Hoe dat bij mij zit weten we niet, hij doneerde bloedplasma omdat-ie officieel ex-patiënt is, ik ben zelf destijds niet getest omdat dat toen nog nauwelijs kon.

Maar soms ben ik wél een beetje bezorgd hoe lang dit allemaal nog gaat duren.
En vooral: hoe de wereld er daarna uitziet.

Welke ondernemers zullen de crisis overleven? Gaan mijn eigen oma’s uiteindelijk ook bezwijken aan corona? Blijven de ouders van vrienden buiten schot? Maar ook: hoe lang weten Mark en Hugo met hun persco’s de onrustige, wantrouwige, complotdenkende (en laten we eerlijk zijn: verwende) Nederlanders nog gerust te stellen? Wat als we met z’n allen massaal de regels aan onze laars blijven lappen – hebben we hier dan over een maand of twee ook ijshallen en legertrucks vol lijken, zoals dit voorjaar gebeurde in Spanje en Italië?

Een gigantische denkfout

Ach, dat overkomt ons niet.

Dat dachten we toen we in januari de beelden zagen uit Wuhan. Dat dachten we toen een maand later Italië de eerste uitbraak meldde – joh, wij gingen gewoon carnavallen, wat kan er misgaan?

Volgens mij is dit één van de belangrijkste lessen die dit virus ons leert: de gedachte ‘dat het ons niet overkomt’, dat wíj buiten schot bijven, dat ‘we’ er wel wat op verzinnen, is een gigantische denkfout. (En hey, daarmee is een bruggetje naar klimaatverandering ineens wel heel makkelijk gelegd, maar dat terzijde. ;-))

Nou ja, toch een beetje de link met het klimaat dan: het is een vergelijkbare machteloosheid die me soms kan overvallen.

Ja, ook ik baal stevig dat al mijn leuke plannen voor de komende tijd niet doorgaan. Ik was net weer zo lekker op dreef bij Einder; wéér weken- of maandenlang thuiszitten is niet iets waar ik naar uitkijk. Ik word sip van het idee dat het waarschijnlijk nog maanden gaat duren voor ik mijn broer (die in Zweden woont) weer eens zie. Ik leef mee met vrienden die alleen wonen en weer meer op zichzelf aangewezen zijn. En ik houd mijn hart vast als ik de barman van de Malt Vault mistroostig zie kijken.

Maar als ik in de krant berichten lees over Nederlanders die klagen dat hun herfstvakantie in het water valt, of filmpjes zie van BN’ers die ‘niet meer meedoen’, moet ik toch even diep zuchten.

Niemand zei dat het leuk was

Nee jongens, het is niet leuk. Klopt. Mooi klote is het.
Maar niemand zei dat het leuk was. Een pandemie ís nu eenmaal niet leuk.

Daar hebben we het mee te doen.

Natuurlijk is het prettiger en comfortabeler om te denken dat het allemaal wel meevalt. Dat de overheid ons gewoon loopt te misleiden, of zelfs doelbewust voor te liegen. Dat het allemaal één groot complot is. Want ja, dat pleit je vrij van verantwoordelijkheid. Dan wordt je vrienden knuffelen zelfs plots een daad van moedig verzet, van strijd tegen het systeem.

Maar jongens, wil ik dan roepen. Denk na. De realiteit is: er waart een onbekend virus rond. Als mens staan we tegen virussen vrij machteloos.

Ik realiseer me dat het niet helpt – dat zo’n kreet aan dovemansoren is gericht. Zoals het ook niet helpt om verstokte carnivoren te wijzen op zielige biggetjes. En het evenmin zin heeft om m’n vrienden die nog vaak vliegen te veroordelen. Je bereikt er niets mee – sterker nog, zo’n vijandige houding heeft een averechts effect.

#doeslief

Dus laten we, zo lang dit alles duurt, proberen een beetje lief te blijven voor elkaar. Laten we hopen dat we hier als samenleving relatief ongeschonden doorheen komen. En laten we elkaar helpen, waar dat kan. Ik begin in elk geval weer met een wekelijkse sponsorbijdrage aan m’n favoriete afhaalrestaurants – mét belachelijk dikke fooi.

Meedoen is belangrijker dan winnen, zeggen ze wel eens. Maar voor corona geldt misschien: om te winnen, moeten we allemaal meedoen.

1+