A little bit of everything, all rolled into one

Wat ik nou eigenlijk doe bij Einder

Zoals je misschien weet werk ik bij Einder, een creatief communicatiebureau in Nijmegen. Ik begon er in juli 2016 als tekstschrijver en ben inmiddels schrijver/adviseur.

Maar wat dóe je dan eigenlijk precies? Ja oké, teksten schrijven, maar verder?

Foto: Ellis Regina Jansen (voor Einder)

Als je niet in de media- en communicatiewereld werkt, kan ik me voorstellen dat ‘communicatieadviseur’ een heel abstract begrip is. Dat was het voor mij tenminste wel – eerlijk gezegd had ik zelfs toen ik werkte als journalist totaal geen (kloppend) beeld van wat de ‘woordvoerders’ die ik vaak sprak zoal deden.

Daarin ben ik trouwens niet de enige; op het Einderblog schreef ik al eens over de matige reputatie van communicatie.

Hoe dan ook, een lezer vroeg of ik wat meer wilde vertellen over mijn werk bij Einder. Nu weet ik uit ervaring dat ‘aan mensen uitleggen wat ik doe’ vaak niet lukt als ik ga strooien met termen als identiteitstraject, conceptontwikkeling, kernwaardensessie en werkgeversmerk. Veel beter werkt het om concrete voorbeelden te noemen.

Daarom vertel ik komende tijd in een serie posts over de projecten die ik zoal heb gedaan! Want ja, ik werk dus altijd in ‘projecten’, concrete klussen die een paar dagen tot een aantal maanden duren. Ik werk nooit aan één project of voor één opdrachtgever tegelijk, maar ben meestal met 5 tot 8 projecten bezig voor 2 tot 5 klanten.

Vandaag deel 1: een jubileumblad voor ASVZ, ofwel: zo maak je een magazine

50 jaar vooruit

Bij Einder hebben we veel ervaring in de zorg; we werken vooral samen met organisaties in de ouderenzorg en de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. ASVZ valt in die laatste categorie. In 2019 bestond deze club 50 jaar; ze vroegen ons om een plan te maken voor hoe ze dat jubileum konden vieren. Samen met collega’s bedacht ik de campagne ‘50 jaar vooruit‘, waarvoor we onder andere een jubileummagazine ontwikkelden.

In zulke projecten werk ik altijd samen met een van mijn ontwerpende collega’s. Samen bedenken we de bladformule (wat wordt de toon en uitstraling van het magazine, voor wie is het bedoeld, welke rubrieken komen erin en hoe zien die eruit?).

Zo’n bladformule kun je eigenlijk zien als het ‘recept’ van een magazine – de handleiding voor hoe je het maakt. In dit geval ging het om een eenmalige uitgave, maar doorgaans pak je elk nieuw nummer de bladformule er weer bij. Kijk maar eens in de tijdschriften die je thuis hebt liggen; wedden dat er altijd vaste rubrieken in staan. En hoewel elk nummer ‘als nieuw’ aanvoelt, voelt het tegelijkertijd herkenbaar en vertrouwd.

In de LINDA heb je bijvoorbeeld altijd een serie portretten, een lang coververhaal waarin Linda de Mol iemand interviewt, een paar columnisten, et cetera. En het blad is ook altijd vormgegeven met dezelfde lettertypes, een bepaalde ‘gedurfde’ stijl fotografie en op de cover staat altijd Linda zelf in een of ander themapakje. Al die dingen zijn dus deel van de bladformule. Handig voor de lezer, maar ook voor de maker – zo hoef je niet elke editie helemaal bij nul te beginnen.

De plank

De opzet visualiseren we in een handig overzicht waar je alle pagina’s naast elkaar op een groot vel ziet. Dat heet een ‘plank’:

In dit overzicht staan nog niet de definitieve foto’s en illustraties, maar alleen voorbeelden van vergelijkbare beelden: ‘zo zou het eruit kunnen zien’. Tekst is er natuurlijk ook nog niet, dus dat is fake-tekst (lorem ipsum).

Het maken van zo’n concept gebeurt overigens in overleg met de communicatieafdeling van ASVZ: zij delen hun wensen, op basis daarvan doen wij een voorstel en dat scherpen we samen aan. ASVZ levert vervolgens ook input – dus bijvoorbeeld de namen en nummers van mensen die we kunnen interviewen.

In de praktijk gaat het vaak zo: wij komen met het idee om in het blad een spread (twee pagina’s) te maken met portretten van medewerkers die hun ervaringen delen. De klant zegt: ja leuk, gaan we doen!, en zoekt in de organisatie naar medewerkers die hun verhaal willen delen.

Daarbij letten we erop dat het bijvoorbeeld een mix wordt van mannen en vrouwen, jonge en ervaren mensen, en medewerkers uit verschillende hoeken van de organisatie (zodat je niet twee heel vergelijkbare verhalen krijgt, dat zou een beetje saai zijn).

Hebben we de interviewkandidaten, dan zijn er twee opties:

  1. Een van de communicatiemedewerkers schrijft het artikel, en ik redigeer of herschrijf het daarna.
  2. Ik of een van mijn schrijvende collega’s maakt het artikel.

Of het optie 1 of 2 wordt, hangt meestal af van hoeveel tijd en budget de oprachtgever heeft en hoe goed haar eigen medewerkers kunnen schrijven (ons inhuren is duurder dan het zelf doen, maar het resultaat is doorgaans beter ;-)). Natuurlijk moet er ook nog een fotograaf op pad.

Uiteindelijk ziet dat er dan zo uit:

Verhaal achter het verhaal

En zo gaat het dus bij alle artikelen. Intussen moet iemand dat alles coördineren – bladmanagement noemen we dat – en in het geval van dit jubileummagazine was dat mijn taak. Ik heb dan een groot Word- of Exceldocument waar ik per artikel de status en alle belangrijke informatie bijhoud, en ik overleg regelmatig met de communicatiemensen van de opdrachtgever.

Nou zit zo’n magazine natuurlijk bomvol verhalen – die kun je onmogelijk allemaal in je eentje schrijven. Meestal maakt de klant (in dit geval ASVZ) een deel van de teksten, en doen wij een ander deel – maar het kan ook gebeuren dat wij alles schrijven. In elk geval zorg ik ervoor dat verschillende schrijvers aan het werk zijn; ook professionele tekstschrijvers hebben toch allemaal hun eigen stijl, en een beetje variatie is fijn voor de lezer.

Goed, dan zijn de schrijvers en fotografen aan het werk (die moeten overigens ook nog ‘gebrieft’ worden, ook een taak van mij!). Verhalen die klaar zijn komen bij mij binnen; ik check of ze voldoen aan de verwachting, doe vaak nog wat aanpassingen en mail of bel wat heen-en-weer met de auteur over de details.

Een artikel is vaak meer dan een oppervlakkig verhaal – het heeft ook een achterliggende boodschap. Neem nu die spread waarin medewerkers hun verhaal delen: dan gaat het erom dat uit het artikel impliciet blijkt dat deze mensen professionals zijn in hun werk, waardoor je als lezer (onbewust) meekrijgt dat ASVZ deskundige medewerkers heeft. Daarom werken we ook zo veel mogelijk met vaste schrijvers per opdrachtgevers; zodat die de klant kennen en weten wat men belangrijk vindt. Je kunt immers kiezen waar je in het verhaal de nadruk op legt.

Lekker nerden

Trouwens, als ik even de kans krijg schrijf ik zelf ook een aantal verhalen. Superleuk was bij dit project bijvoorbeeld dat ik het historisch verhaal van de organisatie mocht optekenen. Weer lekker de geschiedenisnerd uithangen dus, met een duikje in de archieven!

Goed, als alle teksten en beelden binnen zijn (de content, zoals we dat noemen) doe ik de eindredactie. Dat betekent dat ik alle artikelen check op spelling, taal en grammatica, controleer of de opzet en lengte kloppen met de bladformule en ze eventueel aanpas of inkort.

Maar ik Google bijvoorbeeld ook alle namen van mensen, organisaties en producten om te checken of ze kloppen (het zal je verbazen hoe vaak mensen hier fouten in maken), ik zorg dat de interpunctie gelijk is – dus niet het ene artikel ‘enkele’ en het andere “dubbele” aanhalingstekens – en zorg dat termen in alle artikelen op dezelfde manier worden gebruikt (dat bijvoorbeeld niet het ene artikel gaat over ‘de afdeling P&O’ en het andere over ‘het team van Personeelsmanagement’ terwijl dit om dezelfde club mensen gaat).

En daarmee gaat de vormgever aan de slag! Mijn collega doet dan haar magic – let wel, dit is een aanzienlijk en doorslaggevend deel van het werk! – en een aantal dagen (of in het geval van een dik magazine zoals dit: weken) later is het blad klaar.

Of nou ja, de ‘eerste proef’ is klaar. Dat is een pdf’je dat je kunt zien als de eerste volledig gevulde versie, waar nog wel wat puntjes op de i moeten. Vaak ontbreken bijvoorbeeld nog een paar beelden, soms zijn teksten te lang, en er moeten bijvoorbeeld ook nog streamers, koppen, ankeilers (die korte triggerende boodschappen op de cover) en een inhoudsopgave worden gemaakt.

Streamers zijn van die korte quotes in een groter lettertype die je tussen de tekst door ziet, of bijvoorbeeld op de foto’s.

Daar kom ik weer om de hoek kijken; ik ben je streamerkoningin :-) En voordat de proef naar de klant gaat, print ik het magazine een keer helemaal uit en ga met de stofkam door alle teksten. Op papier zie je namelijk weer allemaal nieuwe foutjes: dubbele spaties, tikfouten die er tóch doorheen zijn geslopen, foto’s die niet goed zijn uitgelijnd en meer van die gekke dingetjes. Die wil je natuurlijk niet pas ontdekken als de doos met duizenden gedrukte magazines op je bureau staat…

Puntjes op de i

Goed, dan gaat de proef naar de klant, die kijkt ernaar en heeft nog wat aanvullingen, wij maken proef 2, die gaat weer naar de klant, die checkt weer en heeft nog wat laatste correcties, die voeren wij door in proef 3.

Als alles goed gaat, is proef 3 de laatste proef. Maar soms hebben we pech in zo’n magazinetraject: een manager heeft meegekeken en ziet ineens tóch iets dat hem of haar niet bevalt bijvoorbeeld, en dat moet alsnog anders. Of erger: een interviewkandidaat trekt zich terug en we moeten last-minute een vervangende tekst plus foto regelen. Gelukkig zijn dit uitzonderingen – meestal gaat het in deze fase alleen nog om kleine dingetjes die we makkelijk kunnen aanpassen.

En dan, na de allerlaatste check, het akkoord van de opdrachtgever en nog één laatste controle… maakt de vormgever de bestanden drukklaar en gaan ze naar de drukker!

Dan duurt het nog even – meestal een paar weken – voor het magazine klaar is.

En ja, als ik dan op een werkdag de papieren editie op mijn bureau vind, ben ik toch best trots. Helemaal als ik vervolgens enthousiaste berichtjes krijg van de opdrachtgever, die ook in zijn of haar nopjes is. Trots én stiekem een beetje benauwd begin ik dan te bladeren, wat als ik nu ineens alsnog een foutje zie? Tja, het eerste écht foutloze magazine moet denk ik nog gedrukt worden.

Maar ik durf wel te zeggen dat we bij dit ASVZ-magazine een heel eind in de buurt kwamen. :)

De cover is natuurlijk ook nog een verhaal apart! In dit geval kozen we voor een ‘rustige’ cover zonder ankeilers. We vonden we deze archieffoto uit de jaren zestig passend bij het blad – het vormt ook een prikkelend contrast met de titel ’50 jaar vooruit’. Overigens ook een taak van mij als eindredacteur/bladmanager: precies het juiste, pakkende zinnetje onderaan formuleren.
0

Brownies en Maroon 5

Nee, het verhaal van Cuba is nog niet verteld, maar even een Nederlands blogje tussendoor hoor. Het is tien uur ‘s avonds en ik zit aan de keukentafel te wachten tot m’n brownies klaar zijn. Morgen is mijn laatste werkdag bij NU.nl. Dat voelt raar en een beetje onwerkelijk, des te meer omdat ik sinds half januari niet meer op de redactie in Hoofddorp ben geweest.

Eerst had ik 2,5 week vakantie en daarna – vorige week – lag ik met koorts in bed. Dubbel balen, want ik zag juist zo uit naar die laatste diensten.

Maar wacht, wat, weg bij NU.nl?

Ja, snik snik, maar met een leuke reden: sinds 1 januari ben ik in vaste dienst bij Einder! Een contract voor onbepaalde tijd – jeetje, dat was nog eens een mooie start van het jaar. (Ik weet eigenlijk niet meer zeker of ik dat hier al verteld had, maar ik geloof het niet.)

Hoewel ik nog steeds 0,7 fte werk – de ene week vier, de andere week drie dagen – voelde het tekenen voor Einder-op-lange-termijn als een goed moment om te stoppen als freelance economieredacteur. Een makkelijk besluit was het niet, want NU.nl is een supervette werkplek waar ik het afgelopen jaar veel heb mogen leren.

Toch is het tijd om verder te gaan. Waarom? Waarmee? Met Einder natuurlijk, maar verder? Dat weet ik nog niet. Wat ik wel weet: dat ik het schrijven van creatieve, journalistieke verhalen een beetje mis. Ja, natuurlijk schrijf ik ook bij Einder – en ook heus mooie verhalen! – maar stukken zoals ik ze tot vorig jaar voor de Volkskrant schreef, dát wil ik weer meer doen.

Dit stuk bijvoorbeeld over studenten van laagopgeleide ouders.
Of deze rubriek, over de verdiensten (ja ja) van Jos van Rey.
En een populair-wetenschappelijk stukje schrijven over flossen was ook best interessant.

En hey, nu ik toch dromen en wensen op internet aan het gooien ben: schrijven voor Happinez lijkt me ook gaaf. Of voor LINDA. (Tja, wie wil dat nou niet? Maar hey, dream big.)

Hoewel ik nog wel een paar ideetjes ‘op stapel’ heb liggen, ontbrak het me de afgelopen maanden aan de tijd om die fatsoenlijk uit te werken. Laat staan om te investeren in mijn schrijfskills (regel 1 van Stephen King: read a lot, write a lot) en mezelf uit te dagen door te oefenen met andere woorden, nieuwe tekstvormen. M’n oud-Volkskrantcollega Rik Kuiper is bijvoorbeeld een gaaf webstekje begonnen: de Verhalengarage, waar hij ‘op onregelmatige basis journalistieke verhalen demonteert’ zodat je daarvan kunt leren. Dat lijkt me sowieso iets om in de gaten te houden.

(Even een zijpaadje: ik ben soms een beetje geintimideerd door de schrijfsels van Henk van Straten. In het bijzonder door dit stukje, waarin ‘ie de “echte schrijver” en de “succesvolle auteur” naast elkaar zet, naar aanleiding van de vraag: zou je een relatie kunnen hebben met iemand van wie je het schrijfwerk slecht vindt? Ik weet dan ineens niet meer zo goed of ik wel zo’n Echte Schrijver ben/zou kunnen worden, ooit. Ook al zeggen jullie nu misschien ‘Suus, houd je bek’.)

Goed. Intussen beginnen de brownies lekker te ruiken, terwijl ik op YouTube het ene na het andere nostalgische liedje draai (van de emo-rock à la Breaking Benjamin/30 Seconds To Mars die ik als zestienjarige luisterde tot Maroon5 en Kelly Clarkson, jaja #guiltypleasures #noshame et cetera).

Morgen eerst maar eens die pan opsmikkelen met m’n collega’s – ik ga hen missen.
En wat daarna betreft: plan A is gewoon om de komende tijd even geen plan te hebben voor de 1-2 dagen in de week die vrij komen. Laat ik het maar gewoon even een tijdje kriebelen. Zien wat er dan gebeurt.* De financiele noodzaak om opdrachten te vinden is er niet en da’s een luxe die ik niet eerder heb gekend. Rest dus de vraag: what would you do if money were no object? How would you réally enjoy spending your time? (Klik)

Natuurlijk weet ik dat wel. Schrijven, schrijven. Denken, dromen, verhalen vertellen. De toppen van mijn kunnen verkennen.
En daarom dus nu: ruimte vrij maken, zodat nieuwe dingen kunnen ontstaan. ‘t Wordt voorjaar, tijd om te zaaien.
Ik ben benieuwd wat er in 2017 allemaal gaat groeien.

*Zul je zien dat er dan morgen net een superleuke klus komt – ik ben niet zo heel goed in ‘nee’ zeggen tegen leuk werk en da’s misschien maar goed ook.

0

REBLOG 2011: is dit niet bijna profetisch?

Dit stukje uit 2011 zie ik nog steeds als keerpunt. Ik bracht de onrust in mij onder woorden en daarmee zette ik, zonder dat ik dat toen doorhad, een lijn uit voor de toekomst.

Zeker als ik nu terugkijk is dat op z’n minst opmerkelijk te noemen: veel van de dingen die ik als negentienjarige bewonderde in anderen, heb ik inmiddels zelf gedaan (of in elk geval mijn eigen versie ervan).

Zo refereer ik op meerdere punten aan grote buitenlandreizen van vriendinnen. Ik had op dat moment zelf totaal geen ambities in die richting. ‘Niets voor mij’, dacht ik altijd. Maar nog geen twee weken later kreeg ik plots mail met een geweldige kans en nog geen maand later werd ik uitgekozen: een half jaar op uitwisseling naar Taiwan.

En wat dacht je van de passage over journalistiek. Bizar om dat terug te lezen, dat ik dat blijkbaar toen al door had – want het is exact de weg waarin ik nu ook weer zoekend ben. 

Overigens, dat vergelijken doe ik (soms) nog steeds. Gelukkig heb ik inmiddels ook zelf dingen die ik heb gedaan, meegemaakt, bereikt – dingen die me hebben gevormd, ervaringen om trots op te zijn.

Hm, nu ik er zo over nadenk: misschien weer tijd om zo’n lijstje te maken. 

Rolmodellen – over sterren en stenen

26 maart 2011 [19 jaar]

Ik heb zo veel mooie mensen om me heen. Elke dag ben ik me daar weer van bewust als ik een weblogje lees, een mailtje ontvang, een brief vind tussen de post. Vriendinnen die me inspireren met hun daden en woorden, hun kennis en wijsheid; ik mag van geluk spreken.

Slechts één keerzijde heeft deze rijkdom en die is uiteraard niet aan hen maar aan mijzelf te wijten. Mijn ontembare gedachten hebben de vervelende gewoonte continu vergelijkingen te maken tussen mij en ‘de anderen’. Totaal irrationeel en irrelevant zijn deze valse waardeschattingen, maar ze zitten me behoorlijk in de weg. Vaak heb ik het gevoel dat iedereen zo hard op weg is succesvol, mooi en gelukkig te worden (en dat tegelijkertijd al is!) – iedereen, behalve ik.

Zij verslindt meer boeken in een jaar dan ik in twee en studeert nu een half jaar in Canada.
Zij vond vrienden voor het leven in Zuid-Spanje en leerde vloeiend Spaans spreken.
Zij reisde een jaar in haar eentje door Australië en Nieuw-Zeeland en werkt nu om te sparen.
Zij reisde de hele wereld over – van Australië tot Zweden tot Rusland tot Thailand – en weet alles van wijn en voedsel.
Zij verwent zichzelf met de heerlijkste smoothies.
Zij rent op een dag tien kilometer en een paar weken geleden zelfs de halve marathon.
Zij studeert hetzelfde vak als ik maar leert véél harder (en weet dus ook veel meer).
Zij zit urenlang te programmeren.
Zij woont samen in een fijn huisje en kookt dagelijks een fantastisch maal voor haar lief.
Zij heeft de mooiste lange lokken die ik ken.
Zij is met passie aan het promoveren.
Zij werkt in een boekwinkel en weet alles over middeleeuwse geschriften.
Zij reist in d’r uppie naar China om onderzoek te doen en de Chinese taal te leren.
Zij schrijft beter Engels dan een native speaker.
Zij heeft gevatte humor en maakt heerlijke gedichten.
Zij heeft een figuurtje om van te dromen.
Zij maakt haar eigen cosmetica.
Zij heeft een succesvolle food blog.
Zij debatteert tussen andere autoriteiten op het gebied van voedingsleer.
Zij maakt lange dagen op de universiteit om haar vakken te halen.
Zij doet twéé studies.
Zij studeerde af aan de kunstacademie.
Zij werkt full-time.
Zij doet een bestuursjaar.
Zij werkt nachtenlang achter de bar.
Zij danst klassiek en modern ballet.
Zij voedde ondanks een moeilijke scheiding twee kinderen op.
Zij kookt het beste van allemaal.
Zij is de meest wijze vrouw die ik ken.

Zucht. Zo kan ik nog uren doorgaan. Kleine en grote dingen, en zij kunnen nog veel meer dan dit maar daar gaat het niet om. Van alles hierboven zegt het kleine naïeve meisje in mij: ‘ik wil het ook kunnen’.

Dat is belachelijk, kinderachtig, onmogelijk. Ik weet het. Je kan niet altijd alles hebben. Alles tegelijk kan al helemaal niet. Ik kijk veel te veel naar hun wegen en verlies daardoor het oog op mijn eigen pad. Dan verdwaal ik.

Dus ik verdwaal. Ik weet op dit moment niet zo goed hoe mijn weg loopt. Ik ben negentien, ik ben tweedejaars geschiedenis en heb tot nu toe al mijn vakken gehaald – maar besteedde de afgelopen zeven weken zo weinig tijd in de boeken dat ik met recht ‘luie student’ kan worden genoemd. Dat voelt naar. Dat wil ik niet zijn. Ik was toch het meisje dat ooit cum laude haar vwo haalde? Al vier jaar werk ik bij Albert Heijn, het is tijd voor iets nieuws, maar wat dan? Ik heb het gevoel dat ik niets ‘kan’ en vergeet dat voor elk baantje training en inwerktijd bestaat. Ik dacht dat ik journalist wilde worden maar twijfel daar nu steeds sterker aan: ik wil geen sensationele teksten schrijven die kort en vluchtig gelezen worden, ik wil doordachte mooie woorden schrijven die blijven. Ik heb een fijne relatie en vind liefde nog steeds erg moeilijk.

Toch, zoals Japin ooit al schreef: ik kan liefhebben.

Liefde. Liefde. Liefde. Sja.

Eén ding is zeker: liefde voor mijn studie ontbreekt op dit moment. Nu doe ik alle dingen half, als zwakke schaduw van het rolmodel. Ik besef sinds gisteren dat ik mijn aandacht weer op mijn éigen weg zal moeten richten, wil ik stralen. Wie louter naar de sterren kijkt, struikelt over een steen. Ik ben negentien, tweedejaars geschiedenis. Al die reizen, al die plannen, al die kennis – dat komt nog wel. Hoe ik het vaak ook anders ervaar, het is nog niet te laat. Ik heb voldoende tijd – toch?

Morgen ga ik naar de bieb.

0