• Dit was week 26

    Afgelopen week begon wel heel leuk: maandag gingen we een kijkje nemen in ons nieuwe huis! Voor mij was het de eerste keer dat ik binnen was, sinds we het kochten (B was er daarna nog een keer geweest, tijdens de bouwkundige keuring). ‘s Morgens werkte ik trouwens nog gewoon, en we begonnen ons bezoek aan Elst met een afspraak bij de notaris. Daar namen we alle keuzes voor ons samenlevingscontract door.

    En toen kon het feest beginnen! Superfijn was dat een vriendin mee kwam die binnenhuisarchitect is. Dus zij schakelde meteen in ‘werkmodus’ en hielp ons met opmeten, checkte details waar we zelf nóóit aan hadden gedacht en documenteerde alles handig op de plattegronden. Samen met haar kozen we ook verfkleuren voor de verschillende kamers – ik ben enorm benieuwd hoe alles er straks uit gaat zien.

    Na twee uur intensief keuzes maken waren B en ik superblij, maar ook behoorlijk gaar. We sloten de dag met z’n drieën af op een terrasje in het centrum. Conclusie: er is minimaal één leuke eetgelegenheid in Elst! O ja, en in het park om de hoek zitten allemaal konijntjes, zo schattig.

    Op dinsdag treinde ik naar Nijmegen voor een werkdag bij Einder. Best fijn toch, die kantoorvibe. Samen met een collega timmerde ik een campagnevoorstel in elkaar – heerlijk om weer live te kunnen sparren, in plaats van met zo’n stom beeldscherm ertussen. O ja, en een van de bladen waar ik aan meewerk is uit. Altijd leuk om zo’n nieuw nummer op m’n bureau te vinden.

    Ik sloot de werkdag af op het terras, waar ik bijpraatte met een van m’n (freelance-)opdrachtgevers. We bespraken onder andere het nieuwe verhaal dat ik ga maken voor Radboud Magazine.

    Woensdag begon ik de dag met een les hatha yoga. Daarna fietste ik door naar A voor een kop thee. Intussen kreeg ik goed nieuws: het reisadvies voor Zweden is per 1 juli code geel, en dat betekent dat we éindelijk daarheen kunnen. Yes! Over twee weken gaan we al.

    En toen was het tijd voor mijn eerste coronaprik. Pfizer kreeg ik – blij mee. Ik moet zeggen: mij bekroop toch een dubbel gevoel toen ik in die enorme Jaarbeurshal aansloot in de rij. Als je het met een dystopische bril zou bekijken, oogde het best een beetje creepy. Maar hé, ik heb hier lang over nagedacht en ervoor gekozen om vertrouwen te hebben in onze samenleving. Bovendien: nee, het liefst had ik geen vaccin nodig gehad, maar nog een keertje corona zie ik al helemáál niet zitten…

    Anyway. Minder fijn was dat ik bijna flauwviel (niets ernstigs, heb ik vaker na injecties) en uiteindelijk de 15 minuten wachttijd doorbracht in de EHBO-tent. Nou ja, het was best gezellig om wat te babbelen met de verpleegkundige van dienst. ;-) Daarna ging ik voorlezen bij A, en toen ik op de fiets zat naar huis, dacht ik: hmm, volgens mij gaat dit wat moeizamer dan normaal…

    En toen had ik koorts.

    Tja, dat was natuurlijk een beetje te verwachten met mijn ‘coronaverleden‘, maar qua planning had ik er geen rekening mee gehouden dat ik me ook donderdag nog beroerd zou voelen. Bleek wel het geval. Dus helaas, geen schrijfcoaching geven en ook geen ander werk, maar dutjes doen op de bank. Tussendoor keek ik trouwens wel de Netflix-miniserie The Queen’s Gambit af. Sterke serie, aanrader!

    Gelukkig voelde ik me vrijdag na een lange nacht slapen weer helemaal fit. Eigenlijk waren die vaccin-bijwerkingen een soort mini-corona, wat ook niet gek is als je bedenkt dat je lijf natuurlijk dénkt dat het corona krijgt. Vrijdag maakte ik dus een flinke inhaalslag qua (Einder)werk. Tussendoor had ik nog een uurtje pianoles, en na vijven fietste ik naar S toe voor een vrijdagmiddagborrel met haar en J. Het was superfijn om hen beiden weer te zien.

    2 dagen na m’n prik; weer een heel stuk vrolijker!

    Op zaterdag zou ik eigenlijk gaan fietsen en borrelen met collega’s in Nijmegen, maar dat ging niet door, dus plots lag het weekend voor me open. Jammer, en stiekem ook wel lekker! Ik begon de dag trouwens weer met een les hatha yoga.

    ‘s Middags besloten B en ik te lunchen bij de Veldkeuken in Amelisweerd. Lunch daar is niet compleet zonder taart, en daarna wandelden we nog een stuk rondom Fort Rijnauwen. Of nou ja, we liepen een stukje en bleven meer dan een uur in het gras zitten om schaapjes te knuffelen. Zo leuk!

    ‘s Avonds waren we beiden uitgeteld, dus we zetten een makkelijke film op (Mowgli, viel een beetje tegen, maar wat wil je hè) en aten ovenrisotto onder een dekentje op de bank. O ja, en we bakten nog appeltaart om zondag mee te nemen naar de jaarlijkse familiedag met B’s familie.

    Zondag ik werd ik brak en groggy wakker, ondanks tien uur slaap (en nee, ik had geen alcohol gedronken). Restjes vaccin-bijwerkingen misschien, maar ik voelde vooral dat de herfst van m’n cyclus flink was ingekickt. Ik wilde heel graag alleen onder een dekentje op de bank liggen en niets hoeven. Helaas kon dat niet, want we gingen naar die familiedag. Dus hup, in de auto naar Leeuwarden. Gelukkig is roadtrippen met B altijd een feestje – en heb ik bij hem allang niet meer het gevoel dat ik sociaal hoef te zijn.

    Rond een uurtje of drie hielden we het voor gezien (#zelfzorg) en eenmaal thuis was het avondprogramma heel eenvoudig: burgers van Meneer Smakers bestellen, Disneyfilm aan en samen cocoonen. Ik koos trouwens een keer voor de veganburger op basis van lupinebonen en wortel. Die was erg lekker, ik vond alleen de mangochutney erbij wat te zoet. De Mevrouw Smakers-burger met vleesvervanger blijft m’n favoriet.

    Zo, en toen was het alweer maandag – vandaag dus. Maar daarover volgende week meer.
    Fijne week!

    1+
  • Wat ik nou eigenlijk doe bij Einder

    Zoals je misschien weet werk ik bij Einder, een creatief communicatiebureau in Nijmegen. Ik begon er in juli 2016 als tekstschrijver en ben inmiddels schrijver/adviseur.

    Maar wat dóe je dan eigenlijk precies? Ja oké, teksten schrijven, maar verder?

    Foto: Ellis Regina Jansen (voor Einder)

    Als je niet in de media- en communicatiewereld werkt, kan ik me voorstellen dat ‘communicatieadviseur’ een heel abstract begrip is. Dat was het voor mij tenminste wel – eerlijk gezegd had ik zelfs toen ik werkte als journalist totaal geen (kloppend) beeld van wat de ‘woordvoerders’ die ik vaak sprak zoal deden.

    Daarin ben ik trouwens niet de enige; op het Einderblog schreef ik al eens over de matige reputatie van communicatie.

    Hoe dan ook, een lezer vroeg of ik wat meer wilde vertellen over mijn werk bij Einder. Nu weet ik uit ervaring dat ‘aan mensen uitleggen wat ik doe’ vaak niet lukt als ik ga strooien met termen als identiteitstraject, conceptontwikkeling, kernwaardensessie en werkgeversmerk. Veel beter werkt het om concrete voorbeelden te noemen.

    Daarom vertel ik komende tijd in een serie posts over de projecten die ik zoal heb gedaan! Want ja, ik werk dus altijd in ‘projecten’, concrete klussen die een paar dagen tot een aantal maanden duren. Ik werk nooit aan één project of voor één opdrachtgever tegelijk, maar ben meestal met 5 tot 8 projecten bezig voor 2 tot 5 klanten.

    Vandaag deel 1: een jubileumblad voor ASVZ, ofwel: zo maak je een magazine

    50 jaar vooruit

    Bij Einder hebben we veel ervaring in de zorg; we werken vooral samen met organisaties in de ouderenzorg en de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. ASVZ valt in die laatste categorie. In 2019 bestond deze club 50 jaar; ze vroegen ons om een plan te maken voor hoe ze dat jubileum konden vieren. Samen met collega’s bedacht ik de campagne ‘50 jaar vooruit‘, waarvoor we onder andere een jubileummagazine ontwikkelden.

    In zulke projecten werk ik altijd samen met een van mijn ontwerpende collega’s. Samen bedenken we de bladformule (wat wordt de toon en uitstraling van het magazine, voor wie is het bedoeld, welke rubrieken komen erin en hoe zien die eruit?).

    Zo’n bladformule kun je eigenlijk zien als het ‘recept’ van een magazine – de handleiding voor hoe je het maakt. In dit geval ging het om een eenmalige uitgave, maar doorgaans pak je elk nieuw nummer de bladformule er weer bij. Kijk maar eens in de tijdschriften die je thuis hebt liggen; wedden dat er altijd vaste rubrieken in staan. En hoewel elk nummer ‘als nieuw’ aanvoelt, voelt het tegelijkertijd herkenbaar en vertrouwd.

    In de LINDA heb je bijvoorbeeld altijd een serie portretten, een lang coververhaal waarin Linda de Mol iemand interviewt, een paar columnisten, et cetera. En het blad is ook altijd vormgegeven met dezelfde lettertypes, een bepaalde ‘gedurfde’ stijl fotografie en op de cover staat altijd Linda zelf in een of ander themapakje. Al die dingen zijn dus deel van de bladformule. Handig voor de lezer, maar ook voor de maker – zo hoef je niet elke editie helemaal bij nul te beginnen.

    De plank

    De opzet visualiseren we in een handig overzicht waar je alle pagina’s naast elkaar op een groot vel ziet. Dat heet een ‘plank’:

    In dit overzicht staan nog niet de definitieve foto’s en illustraties, maar alleen voorbeelden van vergelijkbare beelden: ‘zo zou het eruit kunnen zien’. Tekst is er natuurlijk ook nog niet, dus dat is fake-tekst (lorem ipsum).

    Het maken van zo’n concept gebeurt overigens in overleg met de communicatieafdeling van ASVZ: zij delen hun wensen, op basis daarvan doen wij een voorstel en dat scherpen we samen aan. ASVZ levert vervolgens ook input – dus bijvoorbeeld de namen en nummers van mensen die we kunnen interviewen.

    In de praktijk gaat het vaak zo: wij komen met het idee om in het blad een spread (twee pagina’s) te maken met portretten van medewerkers die hun ervaringen delen. De klant zegt: ja leuk, gaan we doen!, en zoekt in de organisatie naar medewerkers die hun verhaal willen delen.

    Daarbij letten we erop dat het bijvoorbeeld een mix wordt van mannen en vrouwen, jonge en ervaren mensen, en medewerkers uit verschillende hoeken van de organisatie (zodat je niet twee heel vergelijkbare verhalen krijgt, dat zou een beetje saai zijn).

    Hebben we de interviewkandidaten, dan zijn er twee opties:

    1. Een van de communicatiemedewerkers schrijft het artikel, en ik redigeer of herschrijf het daarna.
    2. Ik of een van mijn schrijvende collega’s maakt het artikel.

    Of het optie 1 of 2 wordt, hangt meestal af van hoeveel tijd en budget de oprachtgever heeft en hoe goed haar eigen medewerkers kunnen schrijven (ons inhuren is duurder dan het zelf doen, maar het resultaat is doorgaans beter ;-)). Natuurlijk moet er ook nog een fotograaf op pad.

    Uiteindelijk ziet dat er dan zo uit:

    Verhaal achter het verhaal

    En zo gaat het dus bij alle artikelen. Intussen moet iemand dat alles coördineren – bladmanagement noemen we dat – en in het geval van dit jubileummagazine was dat mijn taak. Ik heb dan een groot Word- of Exceldocument waar ik per artikel de status en alle belangrijke informatie bijhoud, en ik overleg regelmatig met de communicatiemensen van de opdrachtgever.

    Nou zit zo’n magazine natuurlijk bomvol verhalen – die kun je onmogelijk allemaal in je eentje schrijven. Meestal maakt de klant (in dit geval ASVZ) een deel van de teksten, en doen wij een ander deel – maar het kan ook gebeuren dat wij alles schrijven. In elk geval zorg ik ervoor dat verschillende schrijvers aan het werk zijn; ook professionele tekstschrijvers hebben toch allemaal hun eigen stijl, en een beetje variatie is fijn voor de lezer.

    Goed, dan zijn de schrijvers en fotografen aan het werk (die moeten overigens ook nog ‘gebrieft’ worden, ook een taak van mij!). Verhalen die klaar zijn komen bij mij binnen; ik check of ze voldoen aan de verwachting, doe vaak nog wat aanpassingen en mail of bel wat heen-en-weer met de auteur over de details.

    Een artikel is vaak meer dan een oppervlakkig verhaal – het heeft ook een achterliggende boodschap. Neem nu die spread waarin medewerkers hun verhaal delen: dan gaat het erom dat uit het artikel impliciet blijkt dat deze mensen professionals zijn in hun werk, waardoor je als lezer (onbewust) meekrijgt dat ASVZ deskundige medewerkers heeft. Daarom werken we ook zo veel mogelijk met vaste schrijvers per opdrachtgevers; zodat die de klant kennen en weten wat men belangrijk vindt. Je kunt immers kiezen waar je in het verhaal de nadruk op legt.

    Lekker nerden

    Trouwens, als ik even de kans krijg schrijf ik zelf ook een aantal verhalen. Superleuk was bij dit project bijvoorbeeld dat ik het historisch verhaal van de organisatie mocht optekenen. Weer lekker de geschiedenisnerd uithangen dus, met een duikje in de archieven!

    Goed, als alle teksten en beelden binnen zijn (de content, zoals we dat noemen) doe ik de eindredactie. Dat betekent dat ik alle artikelen check op spelling, taal en grammatica, controleer of de opzet en lengte kloppen met de bladformule en ze eventueel aanpas of inkort.

    Maar ik Google bijvoorbeeld ook alle namen van mensen, organisaties en producten om te checken of ze kloppen (het zal je verbazen hoe vaak mensen hier fouten in maken), ik zorg dat de interpunctie gelijk is – dus niet het ene artikel ‘enkele’ en het andere “dubbele” aanhalingstekens – en zorg dat termen in alle artikelen op dezelfde manier worden gebruikt (dat bijvoorbeeld niet het ene artikel gaat over ‘de afdeling P&O’ en het andere over ‘het team van Personeelsmanagement’ terwijl dit om dezelfde club mensen gaat).

    En daarmee gaat de vormgever aan de slag! Mijn collega doet dan haar magic – let wel, dit is een aanzienlijk en doorslaggevend deel van het werk! – en een aantal dagen (of in het geval van een dik magazine zoals dit: weken) later is het blad klaar.

    Of nou ja, de ‘eerste proef’ is klaar. Dat is een pdf’je dat je kunt zien als de eerste volledig gevulde versie, waar nog wel wat puntjes op de i moeten. Vaak ontbreken bijvoorbeeld nog een paar beelden, soms zijn teksten te lang, en er moeten bijvoorbeeld ook nog streamers, koppen, ankeilers (die korte triggerende boodschappen op de cover) en een inhoudsopgave worden gemaakt.

    Streamers zijn van die korte quotes in een groter lettertype die je tussen de tekst door ziet, of bijvoorbeeld op de foto’s.

    Daar kom ik weer om de hoek kijken; ik ben je streamerkoningin :-) En voordat de proef naar de klant gaat, print ik het magazine een keer helemaal uit en ga met de stofkam door alle teksten. Op papier zie je namelijk weer allemaal nieuwe foutjes: dubbele spaties, tikfouten die er tóch doorheen zijn geslopen, foto’s die niet goed zijn uitgelijnd en meer van die gekke dingetjes. Die wil je natuurlijk niet pas ontdekken als de doos met duizenden gedrukte magazines op je bureau staat…

    Puntjes op de i

    Goed, dan gaat de proef naar de klant, die kijkt ernaar en heeft nog wat aanvullingen, wij maken proef 2, die gaat weer naar de klant, die checkt weer en heeft nog wat laatste correcties, die voeren wij door in proef 3.

    Als alles goed gaat, is proef 3 de laatste proef. Maar soms hebben we pech in zo’n magazinetraject: een manager heeft meegekeken en ziet ineens tóch iets dat hem of haar niet bevalt bijvoorbeeld, en dat moet alsnog anders. Of erger: een interviewkandidaat trekt zich terug en we moeten last-minute een vervangende tekst plus foto regelen. Gelukkig zijn dit uitzonderingen – meestal gaat het in deze fase alleen nog om kleine dingetjes die we makkelijk kunnen aanpassen.

    En dan, na de allerlaatste check, het akkoord van de opdrachtgever en nog één laatste controle… maakt de vormgever de bestanden drukklaar en gaan ze naar de drukker!

    Dan duurt het nog even – meestal een paar weken – voor het magazine klaar is.

    En ja, als ik dan op een werkdag de papieren editie op mijn bureau vind, ben ik toch best trots. Helemaal als ik vervolgens enthousiaste berichtjes krijg van de opdrachtgever, die ook in zijn of haar nopjes is. Trots én stiekem een beetje benauwd begin ik dan te bladeren, wat als ik nu ineens alsnog een foutje zie? Tja, het eerste écht foutloze magazine moet denk ik nog gedrukt worden.

    Maar ik durf wel te zeggen dat we bij dit ASVZ-magazine een heel eind in de buurt kwamen. :)

    De cover is natuurlijk ook nog een verhaal apart! In dit geval kozen we voor een ‘rustige’ cover zonder ankeilers. We vonden we deze archieffoto uit de jaren zestig passend bij het blad – het vormt ook een prikkelend contrast met de titel ’50 jaar vooruit’. Overigens ook een taak van mij als eindredacteur/bladmanager: precies het juiste, pakkende zinnetje onderaan formuleren.
    0