Skip to content

Suushi. Posts

Kassa

We zaten met z’n drieën aan een hoge tafel, zo een die je veel ziet in hippe horecagelegenheden. Achter de bar stond een jongeman wijnglazen te poleren. Zijn collega tilde omgedraaide stoelen van de tafels. Maandagochtend, iets over tien; het restaurant van de Verkadefabriek was nog leeg, op ons vijven na.

Op tafel lagen grote papieren, we waren zeker tien minuten druk in overleg. ‘We’ was trouwens ik, m’n collega en de klant met wie we in afspraak zaten. Allemaal hadden we ons al eens subtiel omgedraaid richting bar, nog net niet zwááiend maar toch zeker met vragende blik die overduidelijk één ding uitstraalde: koffie?!

Toen om tien over tien nóg niemand bij ons stond, gaf ik het op. Ik liep naar de bar en vroeg of we misschien wat konden bestellen. ‘We zijn nog dicht’, zei de jongen schouderophalend. ‘De kassa komt straks pas. Half elf.’ Enigszins verbouwereerd klom ik terug op m’n hoge kruk. Wij dorstige klanten zaten hier binnen, daar achter de toog glom een espressomachine. Betalen hoefde pas later, we zagen er niet uit of we binnen een half uur zouden vertrekken – konden ze die twee koffie en één thee niet even op een bierviltje noteren?

‘Bijzonder’, knikte een van m’n tafelpartners zuinigjes. ‘Gelukkig heb ik thuis nog een kop achterover geslagen’, reageerde de ander. Gedrieën wisselden we een blik en plots was het drie tegen twee, daar in die ruimte met het hippe meubilair. Wij veeleisende gasten (in hun ogen) en zij incapabel personeel (in de onze). Maar ja hè, wat doe je eraan? We stortten ons op werk.

Om vijf voor elf – inmiddels zat de zaal vol flexwerkers die óók allemaal nog geen latte hadden – wilde ik nét vragen of het nu dan laat genoeg was, toen een jongen kwam aansjouwen met een bak zwarte portemonnees en een langwerpige doos. Kassa. Het personeel, nu vijf man sterk, zat gezellig aan de bar te kletsen – mét koffie. Ze grijnsden vriendelijk naar ons.

Uiteindelijk kwam de jongen die eerder glazen poetste dan toch aan onze tafel. Met moeite kreeg ‘ie z’n digitale terminal opgestart, waarna hij braaf onze drie drankjes opnam (‘koffie, gewoon koffie!’).

Vooruit, de espresso die ik uiteindelijk kreeg smaakte prima en het koekje erbij was bijzonder smakelijk – in die zin deed de Verkadefabriek haar naam eer aan. Maar als ik een horecatent had, hoop ik toch dat m’n personeel wat meer buiten de lijntjes gaat dan de verder bijzónder aardige jongens daar.

Laat een reactie achter

Schrijfkramp

Altijd makkelijk is het om te schrijven over wat de boventoon voert in mijn hoofd. Zoals de matig enthousiaste reacties die ik vandaag kreeg op twee verhalen die ik onlangs maakte (voor verschillende opdrachtgevers). Ik krijg nooit – oké, nauwelijks – matige schrijf-feedback en hoewel ik me in beide gevallen kan vinden in de opmerkingen, én weet dat je nu eenmaal niet altijd een tien kunt halen, voelt het gek.

Alsof met die twee berichten iets is bevestigd wat al langer sluimert in mijn hoofd: ik raak het schrijven kwijt. Shit, nee, natuurlijk niet, stel ik mezelf meteen gerust. Schrijven zit in mij. Het grootste deel van de week ben ik bezig met tekst, logisch dat er dan eens wat doorheen glipt. Soms is je pen minder scherp. Bovendien, het waren humeur-technisch niet mijn beste weken.

En toch. Schrijven, dat is niet alleen zinnen tikken. Dat is een bepaalde blik, een alertheid, een continu proberen de wereld in woorden te vatten. Ik doe dat te weinig. Ik train die schrijfspier niet. Ik laat m’n blik vertroebelen. Regelmatig moet ik denken aan de tijden dat ik voor de krant schreef – dagelijks deadlinejagen, vaak met hartslag 170 maar ook in een hyperfocus die me in staat stelde écht mooie dingen neer te zetten. Schrijfwerk dat me uitdaagde op de toppen van m’n kunnen te presteren, verhalen die mijn vaardigheid steeds een niveautje hoger duwden. Ik herinner me de fases die je als schrijver doorloopt – van ‘oeh, interessant, ik wil alles weten’, via ‘hoe ga ik hier in hemelsnaam één verhaal van maken’ naar ‘wauw, dit wordt wat’ en ‘yes I did it again‘.

Ik mis dat. Misschien durf ik zelfs te zeggen dat ik een beetje gemakzuchtig ben geworden. Of noem het arrogant; een houding van ‘schrijven, dat kan ik, dat doe ik wel even’. En ja, dan raakt de klad erin. Bescheidenheid houdt een schrijver scherp – althans, zolang het niet verlamt. Bescheidenheid, en oefening. Ik moet dan denken aan de eerste twee schrijflessen van Stephen King: read a lot, write a lot.

O, natuurlijk kun je niet alles tegelijk bijhouden en naast schrijven doe ik nu zo veel meer op mijn werk (en daarnaast) waar ik dagelijks van leer. Maar zo nu en dan een verhaal maken, plus hier loos wat bloggen, doet ‘t ‘m niet. Hoe makkelijk het ook mag zijn om ideeën en gevoelens op te tikken die op het puntje van m’n tong liggen (kijk, ik ben alweer 300 woorden verder!), zo ingewikkeld vind ik het om eens wat anders te schrijven. Kort en krachtig te vertellen over dagelijkse situaties, bijvoorbeeld. Of schilderachtig te schrijven. Fictie misschien zelfs. Ik deed dat ooit wel. Wanneer ook alweer?

Vooruit, voor ik mezelf volledig neersabel: drie dagen geleden nog maar kreeg ik wél een enthousiaste mail. Ging over redactiewerk (en geen door mij geproduceerde tekst), maar niettemin, daar werden dingen gezegd als ‘steun en toeverlaat’, ‘de tekst simpeler en helderder maken zonder door te slaan’ en ‘volgende keer zou ik je vragen mee te schrijven’. Die dingen zeg ik nu niet om opnieuw in schrijfslaap te sukkelen, wel om mezelf een aai over de bol te geven, zo zwart-wit is het niet Suusie. In de woorden van mijn lief (die natuurlijk niet helemaal objectief is, maar toch): ‘jammer dat al die positieve feedback minder gewicht heeft dan die ene negatieve’.

Hoe dan ook: ik heb een missie, dit voorjaar. Uit de kramp, hup, masseren die spier, de stijfheid eruit en aan de bak. Hoeft niet lang, hoeft niet ver. Elke dag een schrijf-blokje-om brengt me na een jaar al heel wat kilometers op weg.

1 reactie

Eerzucht

Maandag. Normaal gesproken zou ik nu aan m’n bureau zitten bij Einder – of in overleg, of op pad naar een klant – maar deze week start ik in Utrecht aan de keukentafel. Vrijdagavond geef ik een wijnproeverij voor collega’s en dus ruil ik m’n vrije vrijdag in voor vandaag. Kan ik mooi m’n artikel voor Radboud Magazine afmaken; dat zette ik vrijdag verrassend efficiënt in de steigers (thanks Lianne, dat je me herinnerde aan de Pomodoro-methode!). En o ja, ik moest ook nog een rapport redigeren voor een andere losse projectklus die ik doe voor de universiteit.

Echt vrij is deze dag dus niet, maar dat deert me allerminst. Ik voel me uitgerust na een lange nacht slaap, begon vanmorgen lekker op tijd (om 8 uur klapte ik m’n laptop open) en nu is het 14 uur en ben ik gewoon al klaar!

En ja, dan begint mijn efficiënte brein natuurlijk een beetje te roepen: wat kan ik nu doen? Wat staat nog op mijn to do-lijstje, welke plannen die ik al tijden wil kan ik nu gaan uitvoeren, hoe besteed ik de rest van deze maandagmiddag nuttig? Kortom (onderliggende vraag): welke dingen kan ik vandaag doen zodat ik morgen weer een stapje verder ben in Het Leven?

Maar weet je: ik doe genoeg. Als ik even niets hoef, is dat een geschenk.

Vier dagen in de week werk ik in Nijmegen, ik zit minstens 10 uur per week in het OV (oké gelukkig werk ik vaak 1 dag thuis dat scheelt), daarnaast doe ik op dit moment twee freelanceklussen (RU magazine en dat andere project), ik sport regelmatig, heb een relatie, een berg lieve vrienden, familie en huisgenoten, organiseer dit jaar een bruiloft en het bedrijfsfeest van m’n werk, speel piano, heb een wijnclub die elke 6 weken bij elkaar komt, lees regelmatig boeken en dan zijn er nog de dingen als huishouden, administratie, random verzoekjes/geregel, vakantieplannen (in mei naar Californië!), et cetera.

Als ik het zo opsom denk ik ‘jeetje wat een rijk en vol leven heb ik eigenlijk’, maar zo voelt dat lang niet altijd. Begrijp me niet verkeerd, ik ben blij met hoe de dingen op dit moment zijn en zou ze niet anders willen, er is zo veel meer rust en ruimte in mijn agenda dan een paar jaar terug. Regelmatig zit ik in het weekend uren The Sims 4 te spelen of Netflix te kijken, of lig ik tot 12 uur in bed uit te brakken, en doordeweekse avonden ga ik de laatste tijd vaker wél dan niet om 9 uur naar bed.

Toch blijft op die momenten vaak iets knagen, een venijnig ‘maak ik wel genoeg van mijn leven’ / ‘doe ik wel genoeg nuttigs’-stemmetje. Dan lees ik interviews met Succesvolle Mensen en die elke dag beginnen met drie pagina’s schrijven, of om vijf uur opstaan om hun healthy meals te preppen, of elke week een boek uitlezen, of iets gaafs verzinnen om te maken en daar dan nachten aan doorwerken. En dan wil ik al die dingen ook.

Gek toch he, hoe dat rupsje nooitgenoeg zich een weg door mijn brein blijft eten. Of eigenlijk niet zo gek, want hier in de stad is er altijd meer te beleven, altijd meer te lezen, altijd meer restaurants om te eten, altijd meer boeiende mensen om te ontmoeten, altijd meer hobby’s en cursussen en reizen en andere manieren om jezelf te verrijken. En af en toe lees ik dan zo’n verhaal zoals dit weekend in Volkskrant Magazine, met ‘topvrouwen’ wiens impliciete boodschap het is dat je als vrouw véél meer kunt, als je het maar slim en goed weet te organiseren.

Maar wie zegt eigenlijk dat het beste uit jezelf halen altijd betekent dat je méér moet doen?
Wie zegt er dat ik slim moet organiseren, dat ik moet gaan voor die 60- of 70-urige werkweek? Maakt dat me een beter of mooier mens?

Sterker nog: wie zegt dat ‘ambitieus’ betekent dat je zo’n druk en vol bestaan wilt? Ambitieus staat in het woordenboek als ‘de wil om hogerop te komen’ of ‘streven naar eerzucht’, maar een andere betekenis is ‘ijverig’ en dat vind ik een veel mooiere. (Eerzucht vind ik sowieso eigenlijk niet zo positief klinken terwijl ‘ambitieus’ in deze maatschappij wel als iets goeds wordt gezien…)

Ik denk dat het voor mij – en veel mensen om mij heen – veel moeilijker is om zichzelf toe te staan níet ambitieus te zijn. Want jongens laten we eerlijk zijn, die top zouden we best halen. Veel lastiger is het om tevreden te zijn met wat er nu is. Om rafelrandjes te durven hebben. Om plezier te blijven houden in de dingen die je doet, om met een glimlach op te staan ook als je niet aan alle verwachtingen van jezelf en anderen voldoet. Om blij over de finish te komen als je je doel níet haalt. Dat – plezier blijven maken – is eigenlijk een veel grotere uitdaging, dan blijven bikkelen naar die zogenaamde ‘top’.

Daarom besloot ik vorige week dat ik toch géén examen ga doen in pianoles. Wat in september begon als fijne stok achter de deur en concreet doel om naartoe te werken (leuk, lekker!) eindigde half januari als stressfactor waar ik buikpijn van kreeg en waardoor ik helemaal niet meer ontspannen achter die piano ging zitten. Sterker nog, waardoor ik helemaal geen muziek meer maakte. Ik werd ambitieus – eerzuchtig – en wilde beter en meer en perfecter en mooier en het resultaat was dat ik alleen maar harder voor mezelf werd en het nooit goed was en ik gespannen raakte en pianospelen het zoveelste Moeten-ding werd op het lijstje in m’n hoofd dat ik nu juist wat korter probeer te krijgen.

Ik had twee opties: dat examen erdoor rammen (dat zou heus lukken, maar ten koste van wát?) of lief voor mezelf zijn en die toets (en bijbehorende eisen aan mezelf) de deur uit schoppen. Ik koos voor het laatste.

Terug naar het plezier dus. Zaterdag gaf m’n lerares me een paar “chille, relaxte” stukken (lees: véél makkelijker) stukken mee om te gaan spelen. Stapje terug. Mag ook gewoon. Of was het misschien een stap voorúit? Want ineens vond ik mezelf gistermiddag achter de piano, eindelijk weer eens genietend en niet meer gefrustreerd maar gewoon blij, want jeej wat is het fijn om te spelen.

En zó wil ik dat het is. Met alles dat ik doe.

2 reacties