Wat ik nou eigenlijk doe bij Einder

Zoals je misschien weet werk ik bij Einder, een creatief communicatiebureau in Nijmegen. Ik begon er in juli 2016 als tekstschrijver en ben inmiddels schrijver/adviseur.

Maar wat dóe je dan eigenlijk precies? Ja oké, teksten schrijven, maar verder?

Foto: Ellis Regina Jansen (voor Einder)

Als je niet in de media- en communicatiewereld werkt, kan ik me voorstellen dat ‘communicatieadviseur’ een heel abstract begrip is. Dat was het voor mij tenminste wel – eerlijk gezegd had ik zelfs toen ik werkte als journalist totaal geen (kloppend) beeld van wat de ‘woordvoerders’ die ik vaak sprak zoal deden.

Daarin ben ik trouwens niet de enige; op het Einderblog schreef ik al eens over de matige reputatie van communicatie.

Hoe dan ook, een lezer vroeg of ik wat meer wilde vertellen over mijn werk bij Einder. Nu weet ik uit ervaring dat ‘aan mensen uitleggen wat ik doe’ vaak niet lukt als ik ga strooien met termen als identiteitstraject, conceptontwikkeling, kernwaardensessie en werkgeversmerk. Veel beter werkt het om concrete voorbeelden te noemen.

Daarom vertel ik komende tijd in een serie posts over de projecten die ik zoal heb gedaan! Want ja, ik werk dus altijd in ‘projecten’, concrete klussen die een paar dagen tot een aantal maanden duren. Ik werk nooit aan één project of voor één opdrachtgever tegelijk, maar ben meestal met 5 tot 8 projecten bezig voor 2 tot 5 klanten.

Vandaag deel 1: een jubileumblad voor ASVZ, ofwel: zo maak je een magazine

50 jaar vooruit

Bij Einder hebben we veel ervaring in de zorg; we werken vooral samen met organisaties in de ouderenzorg en de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. ASVZ valt in die laatste categorie. In 2019 bestond deze club 50 jaar; ze vroegen ons om een plan te maken voor hoe ze dat jubileum konden vieren. Samen met collega’s bedacht ik de campagne ‘50 jaar vooruit‘, waarvoor we onder andere een jubileummagazine ontwikkelden.

In zulke projecten werk ik altijd samen met een van mijn ontwerpende collega’s. Samen bedenken we de bladformule (wat wordt de toon en uitstraling van het magazine, voor wie is het bedoeld, welke rubrieken komen erin en hoe zien die eruit?).

Zo’n bladformule kun je eigenlijk zien als het ‘recept’ van een magazine – de handleiding voor hoe je het maakt. In dit geval ging het om een eenmalige uitgave, maar doorgaans pak je elk nieuw nummer de bladformule er weer bij. Kijk maar eens in de tijdschriften die je thuis hebt liggen; wedden dat er altijd vaste rubrieken in staan. En hoewel elk nummer ‘als nieuw’ aanvoelt, voelt het tegelijkertijd herkenbaar en vertrouwd.

In de LINDA heb je bijvoorbeeld altijd een serie portretten, een lang coververhaal waarin Linda de Mol iemand interviewt, een paar columnisten, et cetera. En het blad is ook altijd vormgegeven met dezelfde lettertypes, een bepaalde ‘gedurfde’ stijl fotografie en op de cover staat altijd Linda zelf in een of ander themapakje. Al die dingen zijn dus deel van de bladformule. Handig voor de lezer, maar ook voor de maker – zo hoef je niet elke editie helemaal bij nul te beginnen.

De plank

De opzet visualiseren we in een handig overzicht waar je alle pagina’s naast elkaar op een groot vel ziet. Dat heet een ‘plank’:

In dit overzicht staan nog niet de definitieve foto’s en illustraties, maar alleen voorbeelden van vergelijkbare beelden: ‘zo zou het eruit kunnen zien’. Tekst is er natuurlijk ook nog niet, dus dat is fake-tekst (lorem ipsum).

Het maken van zo’n concept gebeurt overigens in overleg met de communicatieafdeling van ASVZ: zij delen hun wensen, op basis daarvan doen wij een voorstel en dat scherpen we samen aan. ASVZ levert vervolgens ook input – dus bijvoorbeeld de namen en nummers van mensen die we kunnen interviewen.

In de praktijk gaat het vaak zo: wij komen met het idee om in het blad een spread (twee pagina’s) te maken met portretten van medewerkers die hun ervaringen delen. De klant zegt: ja leuk, gaan we doen!, en zoekt in de organisatie naar medewerkers die hun verhaal willen delen.

Daarbij letten we erop dat het bijvoorbeeld een mix wordt van mannen en vrouwen, jonge en ervaren mensen, en medewerkers uit verschillende hoeken van de organisatie (zodat je niet twee heel vergelijkbare verhalen krijgt, dat zou een beetje saai zijn).

Hebben we de interviewkandidaten, dan zijn er twee opties:

  1. Een van de communicatiemedewerkers schrijft het artikel, en ik redigeer of herschrijf het daarna.
  2. Ik of een van mijn schrijvende collega’s maakt het artikel.

Of het optie 1 of 2 wordt, hangt meestal af van hoeveel tijd en budget de oprachtgever heeft en hoe goed haar eigen medewerkers kunnen schrijven (ons inhuren is duurder dan het zelf doen, maar het resultaat is doorgaans beter ;-)). Natuurlijk moet er ook nog een fotograaf op pad.

Uiteindelijk ziet dat er dan zo uit:

Verhaal achter het verhaal

En zo gaat het dus bij alle artikelen. Intussen moet iemand dat alles coördineren – bladmanagement noemen we dat – en in het geval van dit jubileummagazine was dat mijn taak. Ik heb dan een groot Word- of Exceldocument waar ik per artikel de status en alle belangrijke informatie bijhoud, en ik overleg regelmatig met de communicatiemensen van de opdrachtgever.

Nou zit zo’n magazine natuurlijk bomvol verhalen – die kun je onmogelijk allemaal in je eentje schrijven. Meestal maakt de klant (in dit geval ASVZ) een deel van de teksten, en doen wij een ander deel – maar het kan ook gebeuren dat wij alles schrijven. In elk geval zorg ik ervoor dat verschillende schrijvers aan het werk zijn; ook professionele tekstschrijvers hebben toch allemaal hun eigen stijl, en een beetje variatie is fijn voor de lezer.

Goed, dan zijn de schrijvers en fotografen aan het werk (die moeten overigens ook nog ‘gebrieft’ worden, ook een taak van mij!). Verhalen die klaar zijn komen bij mij binnen; ik check of ze voldoen aan de verwachting, doe vaak nog wat aanpassingen en mail of bel wat heen-en-weer met de auteur over de details.

Een artikel is vaak meer dan een oppervlakkig verhaal – het heeft ook een achterliggende boodschap. Neem nu die spread waarin medewerkers hun verhaal delen: dan gaat het erom dat uit het artikel impliciet blijkt dat deze mensen professionals zijn in hun werk, waardoor je als lezer (onbewust) meekrijgt dat ASVZ deskundige medewerkers heeft. Daarom werken we ook zo veel mogelijk met vaste schrijvers per opdrachtgevers; zodat die de klant kennen en weten wat men belangrijk vindt. Je kunt immers kiezen waar je in het verhaal de nadruk op legt.

Lekker nerden

Trouwens, als ik even de kans krijg schrijf ik zelf ook een aantal verhalen. Superleuk was bij dit project bijvoorbeeld dat ik het historisch verhaal van de organisatie mocht optekenen. Weer lekker de geschiedenisnerd uithangen dus, met een duikje in de archieven!

Goed, als alle teksten en beelden binnen zijn (de content, zoals we dat noemen) doe ik de eindredactie. Dat betekent dat ik alle artikelen check op spelling, taal en grammatica, controleer of de opzet en lengte kloppen met de bladformule en ze eventueel aanpas of inkort.

Maar ik Google bijvoorbeeld ook alle namen van mensen, organisaties en producten om te checken of ze kloppen (het zal je verbazen hoe vaak mensen hier fouten in maken), ik zorg dat de interpunctie gelijk is – dus niet het ene artikel ‘enkele’ en het andere “dubbele” aanhalingstekens – en zorg dat termen in alle artikelen op dezelfde manier worden gebruikt (dat bijvoorbeeld niet het ene artikel gaat over ‘de afdeling P&O’ en het andere over ‘het team van Personeelsmanagement’ terwijl dit om dezelfde club mensen gaat).

En daarmee gaat de vormgever aan de slag! Mijn collega doet dan haar magic – let wel, dit is een aanzienlijk en doorslaggevend deel van het werk! – en een aantal dagen (of in het geval van een dik magazine zoals dit: weken) later is het blad klaar.

Of nou ja, de ‘eerste proef’ is klaar. Dat is een pdf’je dat je kunt zien als de eerste volledig gevulde versie, waar nog wel wat puntjes op de i moeten. Vaak ontbreken bijvoorbeeld nog een paar beelden, soms zijn teksten te lang, en er moeten bijvoorbeeld ook nog streamers, koppen, ankeilers (die korte triggerende boodschappen op de cover) en een inhoudsopgave worden gemaakt.

Streamers zijn van die korte quotes in een groter lettertype die je tussen de tekst door ziet, of bijvoorbeeld op de foto’s.

Daar kom ik weer om de hoek kijken; ik ben je streamerkoningin :-) En voordat de proef naar de klant gaat, print ik het magazine een keer helemaal uit en ga met de stofkam door alle teksten. Op papier zie je namelijk weer allemaal nieuwe foutjes: dubbele spaties, tikfouten die er tóch doorheen zijn geslopen, foto’s die niet goed zijn uitgelijnd en meer van die gekke dingetjes. Die wil je natuurlijk niet pas ontdekken als de doos met duizenden gedrukte magazines op je bureau staat…

Puntjes op de i

Goed, dan gaat de proef naar de klant, die kijkt ernaar en heeft nog wat aanvullingen, wij maken proef 2, die gaat weer naar de klant, die checkt weer en heeft nog wat laatste correcties, die voeren wij door in proef 3.

Als alles goed gaat, is proef 3 de laatste proef. Maar soms hebben we pech in zo’n magazinetraject: een manager heeft meegekeken en ziet ineens tóch iets dat hem of haar niet bevalt bijvoorbeeld, en dat moet alsnog anders. Of erger: een interviewkandidaat trekt zich terug en we moeten last-minute een vervangende tekst plus foto regelen. Gelukkig zijn dit uitzonderingen – meestal gaat het in deze fase alleen nog om kleine dingetjes die we makkelijk kunnen aanpassen.

En dan, na de allerlaatste check, het akkoord van de opdrachtgever en nog één laatste controle… maakt de vormgever de bestanden drukklaar en gaan ze naar de drukker!

Dan duurt het nog even – meestal een paar weken – voor het magazine klaar is.

En ja, als ik dan op een werkdag de papieren editie op mijn bureau vind, ben ik toch best trots. Helemaal als ik vervolgens enthousiaste berichtjes krijg van de opdrachtgever, die ook in zijn of haar nopjes is. Trots én stiekem een beetje benauwd begin ik dan te bladeren, wat als ik nu ineens alsnog een foutje zie? Tja, het eerste écht foutloze magazine moet denk ik nog gedrukt worden.

Maar ik durf wel te zeggen dat we bij dit ASVZ-magazine een heel eind in de buurt kwamen. :)

De cover is natuurlijk ook nog een verhaal apart! In dit geval kozen we voor een ‘rustige’ cover zonder ankeilers. We vonden we deze archieffoto uit de jaren zestig passend bij het blad – het vormt ook een prikkelend contrast met de titel ’50 jaar vooruit’. Overigens ook een taak van mij als eindredacteur/bladmanager: precies het juiste, pakkende zinnetje onderaan formuleren.
0

Brownies en Maroon 5

Nee, het verhaal van Cuba is nog niet verteld, maar even een Nederlands blogje tussendoor hoor. Het is tien uur ‘s avonds en ik zit aan de keukentafel te wachten tot m’n brownies klaar zijn. Morgen is mijn laatste werkdag bij NU.nl. Dat voelt raar en een beetje onwerkelijk, des te meer omdat ik sinds half januari niet meer op de redactie in Hoofddorp ben geweest.

Eerst had ik 2,5 week vakantie en daarna – vorige week – lag ik met koorts in bed. Dubbel balen, want ik zag juist zo uit naar die laatste diensten.

Maar wacht, wat, weg bij NU.nl?

Ja, snik snik, maar met een leuke reden: sinds 1 januari ben ik in vaste dienst bij Einder! Een contract voor onbepaalde tijd – jeetje, dat was nog eens een mooie start van het jaar. (Ik weet eigenlijk niet meer zeker of ik dat hier al verteld had, maar ik geloof het niet.)

Hoewel ik nog steeds 0,7 fte werk – de ene week vier, de andere week drie dagen – voelde het tekenen voor Einder-op-lange-termijn als een goed moment om te stoppen als freelance economieredacteur. Een makkelijk besluit was het niet, want NU.nl is een supervette werkplek waar ik het afgelopen jaar veel heb mogen leren.

Toch is het tijd om verder te gaan. Waarom? Waarmee? Met Einder natuurlijk, maar verder? Dat weet ik nog niet. Wat ik wel weet: dat ik het schrijven van creatieve, journalistieke verhalen een beetje mis. Ja, natuurlijk schrijf ik ook bij Einder – en ook heus mooie verhalen! – maar stukken zoals ik ze tot vorig jaar voor de Volkskrant schreef, dát wil ik weer meer doen.

Dit stuk bijvoorbeeld over studenten van laagopgeleide ouders.
Of deze rubriek, over de verdiensten (ja ja) van Jos van Rey.
En een populair-wetenschappelijk stukje schrijven over flossen was ook best interessant.

En hey, nu ik toch dromen en wensen op internet aan het gooien ben: schrijven voor Happinez lijkt me ook gaaf. Of voor LINDA. (Tja, wie wil dat nou niet? Maar hey, dream big.)

Hoewel ik nog wel een paar ideetjes ‘op stapel’ heb liggen, ontbrak het me de afgelopen maanden aan de tijd om die fatsoenlijk uit te werken. Laat staan om te investeren in mijn schrijfskills (regel 1 van Stephen King: read a lot, write a lot) en mezelf uit te dagen door te oefenen met andere woorden, nieuwe tekstvormen. M’n oud-Volkskrantcollega Rik Kuiper is bijvoorbeeld een gaaf webstekje begonnen: de Verhalengarage, waar hij ‘op onregelmatige basis journalistieke verhalen demonteert’ zodat je daarvan kunt leren. Dat lijkt me sowieso iets om in de gaten te houden.

(Even een zijpaadje: ik ben soms een beetje geintimideerd door de schrijfsels van Henk van Straten. In het bijzonder door dit stukje, waarin ‘ie de “echte schrijver” en de “succesvolle auteur” naast elkaar zet, naar aanleiding van de vraag: zou je een relatie kunnen hebben met iemand van wie je het schrijfwerk slecht vindt? Ik weet dan ineens niet meer zo goed of ik wel zo’n Echte Schrijver ben/zou kunnen worden, ooit. Ook al zeggen jullie nu misschien ‘Suus, houd je bek’.)

Goed. Intussen beginnen de brownies lekker te ruiken, terwijl ik op YouTube het ene na het andere nostalgische liedje draai (van de emo-rock à la Breaking Benjamin/30 Seconds To Mars die ik als zestienjarige luisterde tot Maroon5 en Kelly Clarkson, jaja #guiltypleasures #noshame et cetera).

Morgen eerst maar eens die pan opsmikkelen met m’n collega’s – ik ga hen missen.
En wat daarna betreft: plan A is gewoon om de komende tijd even geen plan te hebben voor de 1-2 dagen in de week die vrij komen. Laat ik het maar gewoon even een tijdje kriebelen. Zien wat er dan gebeurt.* De financiele noodzaak om opdrachten te vinden is er niet en da’s een luxe die ik niet eerder heb gekend. Rest dus de vraag: what would you do if money were no object? How would you réally enjoy spending your time? (Klik)

Natuurlijk weet ik dat wel. Schrijven, schrijven. Denken, dromen, verhalen vertellen. De toppen van mijn kunnen verkennen.
En daarom dus nu: ruimte vrij maken, zodat nieuwe dingen kunnen ontstaan. ‘t Wordt voorjaar, tijd om te zaaien.
Ik ben benieuwd wat er in 2017 allemaal gaat groeien.

*Zul je zien dat er dan morgen net een superleuke klus komt – ik ben niet zo heel goed in ‘nee’ zeggen tegen leuk werk en da’s misschien maar goed ook.

0

7 pro-tips voor je sollicitatiegesprek

Inmiddels ben ik alweer een paar maanden vol aan de bak voor Einder en NU.nl, maar nog niet zo héél lang geleden besteedde ik een deel van mijn werkweek aan sollicitatiebrieven versturen en gesprekken voeren. En ook toen ik full time freelancer was, dronk ik regelmatig kopjes koffie met potentiele opdrachtgevers. Omdat de stages & banen vandaag de dag niet voor het oprapen liggen, maar je met een aantal slimme tips & tricks wél je baankansen kunt verhogen, deel ik vandaag mijn zeven tips voor je sollicitatiegesprek.

Doe er je voordeel mee!

1. Superlogisch, maar wél nodig: bereid je tot in de puntjes voor.

Zorg dat je in elk geval weet:

  • Wat de exacte functieomschrijving is voor de vacature. Ofwel: wat zoekt de werkgever? En hoe sluit jij hierbij aan? Zorg dat je met voorbeelden kunt komen (zie verder tip 3).
  • Hoe de organisatie ongeveer in elkaar steekt: hoeveel mensen werken er, wie zit in de directie, hoe is het management georganiseerd (voor zover dit te vinden is). Indien mogelijk: praat met mensen die vergelijkbaar werk doen.
  • Wat jijzelf al voor ervaring hebt die relevant is voor deze functie. Probeer even in je arbeidsverleden te graven, vraag familie & vrienden om raad, zorg dat je zo veel mogelijk ‘munitie’ hebt om de werkgever ervan te overtuigen dat jij hier past.
  • Welke antwoorden je kunt geven op allerlei standaard-solliciatievragen.

Zorg verder voor een lijst(je) met vragen die je zelf kunt stellen. Niet alleen kun je met die informatie zélf beter beoordelen of je die baan eigenlijk wel wilt, ook laat je door het stellen van vragen zien dat je je goed hebt voorbereid. Hoe specifieker gericht op de functie, hoe beter. Daarmee laat je zien dat je hebt nagedacht over je toekomstige werk. (Als je bijvoorbeeld solliciteert als webredacteur: “Ik zie dat jullie op je website die-en-die indeling hebben, wat is de gedachte daarachter?”)

Toon ook interesse in je gesprekspartner: wat is zijn/haar functie binnen het bedrijf, gaan jullie eventueel met elkaar te maken krijgen? Van tevoren even rondsneaken op de LinkedIn-pagina van je toekomstige baas kan nooit kwaad.

Stel in elk geval geen feitelijke vragen over zaken die je zelf had kunnen opzoeken (‘Hoeveel mensen werken hier?’). Daarmee krijgt je gesprekspartner juist de indruk dat je je slecht hebt voorbereid. Ook vragen over je salaris zijn not done tijdens het eerste gesprek.

2. Probeer je te bedenken dat een sollicitatie een kennismaking van twee kanten is. 

Zie het als een gelijkwaardig gesprek waarin zij jou, maar jij zeker ook hén probeert in te schatten. Duw eventuele verlegenheid opzij: geef je gesprekspartner een stevige hand, kijk hem/haar in de ogen.

Natuurlijk is het dat uiteindelijk niet helemaal – jij wilt immers die baan! – maar deze houding zal je helpen om zelfbewuster en rustiger over te komen. Het laatste dat je wilt is dat ze denken dat je wanhopig bent.Probeer dus die (financiele) stress even uit je hoofd te duwen: jij bent awesome. En voor jou is het óók nog maar even zien of je dit wel wilt.

(Dat laatste moet je natuurlijk niet letterlijk zeggen, dat snap je wel. Maar een onafhankelijke houding is aantrekkelijker dan een smekende sollicitant.)

3. Bedenk veel voorbeelden die je kunt gebruiken in het gesprek. 

Iedereen kan natuurlijk wel zeggen dat hij “goed kan samenwerken” of “in staat is onder druk te presteren”. Zorg dat je een aantal voorbeelden paraat hebt die je desgevraagd – of uit jezelf – kunt noemen om je betoog te illustreren. “Bijvoorbeeld die keer dat ik….”

Het helpt hier natuurlijk als je al wat werkervaring hebt, zodat je meteen wat eerdere projecten die je hebt gedaan kunt toelichten (en daarmee direct indruk kunt maken met wat je allemaal hebt gedaan!). Maar denk vooral ook breder, zeker als je pas net afgestudeerd bent. Vaak zijn de dingen die je in je leven hebt gedaan nuttiger dan jij zelf denkt.

Zowel in mijn sollicitatiegesprekken bij Einder als bij NU.nl noemde ik onder andere mijn blog als voorbeeld, toen men vroeg of ik online ervaring had. Natuurlijk is Suushi maar “gewoon” een hobby, maar dat ik hier al 10 jaar schrijf laat zien dat ik ervaring heb met lange termijnsprojecten én dat ik al lang “publiceer”. Bovendien toont het op z’n minst basiskennis van CMS-systemen (WordPress) , sitemanagement en sociale media.

4. Wees positief en enthousiast (maar overdrijf het niet).

Mijn stage bij de Volkskrant sleepte ik (mede) binnen doordat ik, zo hoorde ik achteraf ,”veel enthousiasme en nieuwsgierigheid toonde”. En zelf vind ik het ook fijn om met mensen te werken waarvan ik het gevoel krijg: die heeft er zin in, die zit vól energie en kan de taak wel aan. Je wilt vertrouwen wekken dat jij alles in huis hebt én dat je van aanpakken weet. 

Zorg er dus voor dat je passie voor het onderwerp te zien is – zonder dat je overkomtals een hyperactieve stuiterbal. Let op: praat jezelf niet onnodig omlaag (je kunt vaak meer dan je denkt!), maar overspeel je hand ook niet. Heb je ergens geen of weinig ervaring mee, zeg dat dan eerlijk. Je hoeft niet álles al te kunnen, zeker niet als je solliciteert op een junior-functie. Geef in plaats daarvan aan dat je bijvoorbeeld snel nieuwe dingen leert en dat ook graag doet.

(c) Cyanide & Happiness

5. Laat je nooit, ik herhaal NOOIT negatief uit over je huidige of vorige werkgevers.

Echt, kom niet in de verleiding. Misschien lijkt het slim om je vorige werk af te zetten tegen het werk dat je nú graag wilt doen, maar je oude baas zwartmaken is not the way to go. Je gesprekspartner kan niet alleen het gevoel krijgen dat je negatief en veeleisend bent, maar ook nog eens dat je niet loyaal bent.

Als jou direct wordt gevraagd wat je nu eigenlijk vond van je vorige werkgever, probeer dan zakelijk te blijven. Ga natuurlijk niet liegen, dus wil je toch wat kwijt, spreek dan vanuit je eigen ervaring (‘ik vond het soms lastig dat…’). Denk van tevoren na over wat je kunt antwoorden op dit soort lastige vragen.

6. Hierop voortbordurend: laat je geen uitspraken ontlokken die je niet wilt doen.

Het kan zijn dat een werkgever je een beetje uittest. Maar laat je nooit uit de tent lokken om dingen te zeggen die niet bij je passen, alleen om in de gunst te vallen. Lieg absoluut nooit. En zodra jij het gevoel krijgt dat de vraag compleet niet relevant is, kun je dat ook gewoon zeggen.

Bij een solliciatiegesprek werd mij bijvoorbeeld gevraagd of ik soms last had van een “quarter life crisis”, omdat ik dat woord had genoemd op mijn blog. Ik heb toen gezegd dat dat me geen relevante vraag leek – we hadden het immers over mijn zakelijke kwaliteiten en niet over mijn persoonlijke sores. De ander gaf dat vervolgens toe.

Ik denk dat het juist goed is als je in dit soort situaties ook je grens weet aan te geven – dat is een goede eigenschap, toch?

Ter info: een werkgever mag sowieso nooit vragen of je zwanger bent, kinderen wilt, wat je seksuele geaardheid is, of je gelovig bent en of je lid bent van een politieke partij.

(c) Cyanide and Happiness

7. Tot slot: kom goed verzorgd voor de dag. 

Wat je precies wilt uitstralen, is natuurlijk afhankelijk van het bedrijf waar je gaat solliciteren. Ik heb zelf nooit gesolliciteerd bij grote chique kantoren met harde dresscodes, maar een (simpel, niet afleidend) jurkje (hemd en nette broek voor de mannen) is altijd goed. Zelf probeer ik in elk geval spijkerstof en gympen te vermijden. ;)

En doe verder vooral aan waar je je lekker in voelt! Draag je nooit hakken, ga dan niet ineens lopen wiebelen. En heb je áltijd felrode nagels, doe dat dan nu gerust ook – maar overdrijf het niet. Ik trok meestal een jurkje aan, of anders een zwarte broek met blouse en jasje. Haren opgestoken, klein likje mascara, subtiele oorbellen, en klaar. Zorg dat je fris ruikt, maar spuit niet zó’n wolk parfum dat die de rest van de middag nog nawalmt in het kantoor. ;)

Je uiterlijk moet professioneel en representatief zijn, maar niet afleiden van waar het eigenlijk om gaat: jouw vaardigheden en het eerste gesprek op weg naar – hopelijk – jouw nieuwe baan!

0