A little bit of everything, all rolled into one

Hunkering

S. was vanavond hier, en dus kon ik heel goed mijn nieuwe project oefenen.

Hoe langer ik de dagen alleen thuis doorbreng – en dat is nu al bijna vier maanden –, hoe meer ik tot de conclusie kom hoe goed deze manier van leven me doet. Minder onderweg zijn natuurlijk, minder prikkels, maar ik ontdek ook hoe heilzaam het voor me is om niet de hele tijd in sociale situaties te zijn.

Gevolg is wel dat ik, áls ik weer in een sociale situatie ben, merk hoe intensief dat is. Hoe hard ik altijd onbewust aan het werk ben geweest. Mijn hoofd draait overuren, is de hele tijd bezig signalen van anderen op te pikken en te interpreteren, scant continu naar mogelijke afwijzingen. En doet alles om die te voorkomen.

Anders gezegd: mijn kleine, kwetsbare ik hunkert fulltime naar bevestiging.
Vreselijk vermoeiend, natuurlijk. Geen wonder dat ik dan liever alleen ben.

Tegelijkertijd besef ik dat het niet zo hóeft te zijn. Ik geloof niet dat ik gemaakt ben om hele dagen in m’n uppie te slijten. Ja, ik ben introverter dan ik dacht. Ik wil niet meer zonder Suustijd, maar dat betekent niet dat ik geen sociaal contact nodig heb.

Sterker nog, ik denk dat ik heel veel blijdschap, voldoening en levensgeluk kan halen uit samenzijn met anderen. Dat doe ik natuurlijk al, maar ik bedoel: dat het me méér kan opleveren, en minder hoeft te kosten dan nu.

Daarvoor staat me wel iets te doen. Actief oefenen dus, een andere houding aannemen, leren te ontspannen als ik met anderen ben. Niet meer zo hard werken. Dat begint natuurlijk met opmerken dat ik dit uberhaupt doe, en vervolgens mezelf een aai geven en proberen terug te keren naar mijn basis. Het is oké, Suusie, je bent oké.

Anders gezegd: ik mag zélf leren kleine-ik het vertrouwen te geven dat ik tot nu toe altijd buiten de deur zocht.

Doodeng natuurlijk, want in die bevestiging van anderen vond ik jarenlang veiligheid. Toch geloof ik dat dit de enige manier is: gewoon proberen – te beginnen bij mijn liefsten misschien – en dan ontdekken dat mensen heus niet weglopen. (En als ze dat wel doen, tja, pijnlijk maar dan waren het blijkbaar geen mensen bij wie ik echt mezelf kon zijn.)

In dit proces vind ik het verfrissend om te ontdekken dat dit mechanisme bij sommigen compleet niet speelt. Of zelfs weerstand oproept. Zo schreef Lianne dat zij gillend gek wordt als ze voelt dat mensen bevestiging zoeken. En B heeft vrienden die zich totaal niet druk maken over dingen als ‘ik heb nu al twee keer ‘nee’ gezegd, dan moet ik de derde keer ‘ja’ zeggen anders is het stom voor de ander’. Ze zeggen gewoon wat ze denken en willen.

Zulke voorbeelden helpen me verder. Ik wil dat ook leren in mijn vriendschappen, familiecontacten en werkrelaties. Dat betekent wel dat ik hier en daar wat moet doorbreken, want door die onbewuste behoeften heb ik vooral mensen om me heen verzameld die ook wel lekker gaan op continue bevestiging van anderen. Dat zijn immers mensen bij wie ik me prettig en veilig voel – ik kan de hele tijd tegen hen zeggen dat ik hen lief vind en dan vinden ze me aardig en ze zeggen ook nog dat ze mij lief vinden!

Maar ja, voor je het weet zit je elkaar de hele tijd te vertellen dat het heus wel goed en oké is en te vragen of de ander wel zeker weet of ze iets wil en jezelf te excuseren als je een keus maakt want als jij het andere wilt is dat natuurlijk óók helemaal prima.

Eveneens enorm vermoeiend.

Tijd om dat te doorbreken dus. En dat dat veel beter kan uitpakken dan je van tevoren denkt, ontdekte ik vanavond. S en ik aten burgers, dronken wijn terwijl we op het randje van de openslaande tuindeuren zaten, en steeds weer probeerde ik te blijven voelen. Niet te fixen, niet te entertainen.

Gewoon de zomeravond te laten stromen.

‘Ik ontdekte dat het steeds meer lukt om echt bij je te ontspannen’, schreef ik haar na afloop een tikje trots.
Waarop ze terugstuurde: dat zie ik, je kwam ontspannender over dan soms. Minder spanning in je gezicht. En door meer ontspanning bij jou kan ik ook meer ontspannen.

Misschien is de gloeiende trots die zich door m’n lichaam verspreidde weer het volgende shot bevestiging, maar hé, nee, dit voelt anders. We komen samen verder. Dieper.

Ik kan maar één ding concluderen: al dat oefenen begint z’n vruchten af te werpen.

0

Luxepoes

Zoals bijna alle millennials die in de grote stad wonen, laat ik zo nu en dan een avondmaaltijd bezorgen. Pizza, Thais, Indiaas, sushi of burgers – de keuze is in Utrecht natuurlijk reuze.

En tja, als je dan moe en hongerig thuiskomt na een lange werkdag, of op een brakke zondag niet van de bank te branden bent, is een portie gemaksvoedsel zo besteld.

Niet dat ik wekelijks lege pizzadozen naar de papiercontainer breng hoor, maar als ik m’n bankrekening check zie ik dat er – zeker sinds het begin van de coronatijd – toch elke maand wel minstens één afschrijving van Deliveroo of Thuisbezorgd bij zit.

Ik voel me daar altijd wat dubbel over, realiseerde ik me vandaag toen een vriendin vrolijk vertelde over de pokébowl die ze zojuist besteld had. Met glimmende oogjes (we waren aan het FaceTimen) zag ik haar al genieten bij het vooruitzicht om straks die kom rijst met rauwkost en spicy tuna te verorberen.

Als ik eten bestel, zei ik – mijn gedachten vormend terwijl ik ze uitsprak – is het bijna alsof ik daar nooit écht 100 procent van mag genieten. Ergens in mijn hoofd mort altijd een stemmetje: wat een geldverspilling, en lui bovendien, je kunt toch heus gewoon een maaltijd koken, stel je niet zo aan, verwende yup ben je ook.

Eten bestellen voelt als de makkelijke, inferieure optie, de easy way out.

En pas toen ik dat zo hardop uitsprak, merkte ik welk oordeel ik hierin nog naar mezelf heb. Ik weet ook waar dat vandaan komt: als wij vroeger als gezin ergens heen gingen, namen we (in mijn herinnering althans) altijd gesmeerde boterhammetjes mee voor onderweg. En ik kan me niet herinneren dat we ooit voedsel bestelden – afgezien van misschien een keer per jaar afhaalchinees.

Natuurlijk waren dat andere tijden (zeker de eerste jaren na de scheiding van mijn ouders, toen mijn moeder alleenstaand én kostwinner was), maar blijkbaar maakt dat niet uit voor wat mijn hoofd als “normaal” en “goed” is gaan zien. Blijkbaar is er iets in mijn brein genesteld dat maakt dat ik ruim twintig jaar later nog stééds niet honderd procent zorgeloos kan genieten van een bezorgpizza (en dat heeft dan niets te maken met calorieën). En me ergens een tikje schuldig voel als ik ga voor vegaburgers in het park, terwijl we die ook thuis hadden kunnen bakken.

Niet dat ik me laat leiden door die gedachten – zoals gezegd: ik bestel regelmatig voedsel, geniet daar ook van en voel me dankbaar dat het kan! – maar puur de constatering dat er blijkbaar ergens een rem zit, een deel van mij dat m’n eigen gedrag afkeurt.

Ik heb het niet alleen bij eten bestellen, besefte ik. Ook als ik kies voor een luxe hotelovernachting, naar een dure kapper ga, ‘zomaar’ een nieuwe gadget koop, bij de sauna kies voor een massage-arrangement of goede wijn insla, komt dat stemmetje om de hoek kijken.

Alsof er iemand afkeurend over mijn schouders heen kijkt: tss, wat denk je wel niet, jij luxepoes. Misschien schaam ik me zelfs een beetje dat ik ervan geniet.

Schuilt er toch zowaar een kleine calvinist in me.

“Ik vind het echt alleen maar heerlijk om af en toe te bestellen”, zei mijn vriendin nuchter – het was niet in haar opgekomen dat je je om zoiets schuldig zou kunnen voelen. Verhelderend vond ik dat, zeg. O ja, zo kan het ook!

Ineens moet ik denken aan toen ik in Taiwan woonde. Daar kookte ik een half jaar lang niet, uit eten gaan was de standaard – deed iedereen trouwens. Waarom vind ik in Nederland af en toe mijn maaltijd door anderen laten bereiden dan ineens een probleem?

Ik geloof dat ik hier maar eens mee ga oefenen: werkelijk onbezorgd genieten (pun intended)*. Voluit durven leven hoe ik wil leven, want daar komt het natuurlijk weer gewoon op neer.


*En dus niet eens “oké zijn met mijn tekortkomingen”, want hoezo is zo nu en dan pizza bestellen ineens een imperfectie of tekortkoming? O ja, ik was natuurlijk een véél beter mens geweest als ik mijn hele leven lang elke avond zelf in de keuken sta.

0

slecht nieuws

Slecht nieuws brengen, leerde ik van B, moet je direct doen. Als (huis)arts moet hij natuurlijk wel eens serieuze slechtnieuwsgesprekken voeren, dus in de opleiding besteden ze veel aandacht aan hoe je dat het beste doet.

Meteen zeggen dus. Geen doekjes om winden dus, niet uitstellen. Een korte aanloop om de ontvanger mentaal voor te bereiden, en dan zonder omhaal to the point komen.

‘Ik heb de uitslagen binnen, en ze zijn niet goed.’ Of, buiten de context van het ziekenhuis: ‘Laat ik maar meteen zeggen: ik heb geen leuk nieuws voor je.’

Het nieuws brengen. Daarna een stilte laten vallen, in afwachting van de reactie van je gesprekspartner. En dan het gesprek aangaan.

Mooi bedacht, maar dóe het maar eens. Deze week kon ik oefenen; ik had niet zulk leuk bericht voor een van de vaste opdrachtgevers van Einder. Geen kwestie van leven of dood natuurlijk, maar evengoed vervelend: het project dat we aan het doen zijn, loopt twee weken uit – terwijl de klant duidelijk had aangegeven dat dat geen optie was.

Nu heb ik er sowieso een hekel aan om mensen teleur te moeten stellen, en ik had dan ook alles geprobeerd om de situatie te voorkomen, maar ja, het was niet anders. En dan is het aan mij als projectleider om duidelijkheid te bieden.

Ik had het mailtje al bijna af – zorgvuldig gekozen woorden, goede opbouw – toen ik bedacht: laat ik tóch bellen. Mailen is voor mij in m’n comfort zone; zoals je weet voel ik me op schrift veel (taal)vaardiger dan mondeling, ik kan mijn woorden rustig afwegen en heb niet het probleem dat ik van de zenuwen veel te snel of onduidelijk ga praten.

Maar toen ik dacht ik aan wat B ook had gezegd: slecht nieuws kun je beter mondeling brengen, niet per mail of sms. Je ziet, hoort en voelt meteen hoe iemand reageert, je kunt zelf meer overbrengen hoe rot je het vindt, er ontstaat een gesprek waarin je er samen uit kunt komen.

Een mailtje is daarmee vergeleken wel heel hard en onpersoonlijk, je boodschap kan zomaar verkeerd vallen, en bovendien zit je na verzending de hele tijd in de zenuwen of de ander het al gelezen heeft en hoe hij/zij zal reageren.

Tja, maar dat maakt het nog niet leuk of eenvoudig om te doen. Bellen is veel meer de confrontatie aangaan. Kwetsbaarder, het ongemak opzoeken.

Nu weet ik dat deze opdrachtgever een heel prettig, redelijk en menselijk persoon is – dat maakte het misschien moeilijker om haar teleur te stellen, maar gaf me ook het laatste zetje om de telefoon te pakken. Met klamme handjes, dat wel.

Toe maar Suusie, zei ik tegen mezelf, niet nadenken, gewoon doen. Juist omdat je het eng vindt, valt hier veel te leren.

De klant nam op, ik bracht het nieuws. Ze was even stil. Tja, zei ze toen, ik begrijp het, dan is het niet anders. We raakten een beetje in gesprek en al pratend kwamen we erop uit dat die twee weken aan hun kant niet eens zo slecht uitkwamen – zomervakanties en zo – en tien minuten later hingen we opgewekt op.

Man, wat viel er een last van me af.

Nu wil dat natuurlijk niet zeggen dat élk slechtnieuwsgesprek zo loopt – soms blijft een situatie nu eenmaal vervelend, ongemakkelijk, rot, en zal iemand inderdaad boos worden of teleurgesteld zijn.

Maar ook dan: je komt er overheen, je komt er samen uit. Probeer het maar eens om te draaien: als iemand jóu slecht nieuws brengt, wil je toch doorgaans ook – misschien na een eerste golf van teleurstelling of boosheid – samen kijken hoe je er in de nieuwe situatie het beste kan maken? Het getuigt van volwassenheid om over hobbels en geschillen heen te kunnen stappen, de ander te vergeven. Je mag erop vertrouwen dat je gesprekspartner die volwassen houding heeft.

De reden dat ik er tegenop zie, dacht ik naderhand, is simpelweg weer die angst. Ik ben bang om afgewezen te worden, bang dat de ander me niet meer mag, bang om kansen te verliezen.

En nu ik dit schrijf realiseer ik me hoe belangrijk het is om juist deze situaties op te blijven zoeken. Vanwege de exposure (stel anderen maar heel vaak teleur en ontdek dat de wereld gewoon blijft draaien!) en om – liefst ongeacht de reactie van die ander – tegen mezelf te leren zeggen:

Kan gebeuren, Suusie. Het is oké.

0

toestemming

Regelmatig spookt de laatste weken een berichtje door mijn hoofd dat iemand me stuurde als reactie op mijn verhaal over vloggen, make-up en bezig zijn met je uiterlijk.

Sowieso kreeg ik op die post héél veel reacties, veel persoonlijke, bijzondere en inzichtelijke woorden. Laat ik beginnen met een paar andere fragmenten te delen, want er zaten veel dingen bij die me verder hielpen.

Iemand schreef bijvoorbeeld:

Je verwijst naar de babyboomer die tegen je zegt dat je een vak moet leren en jezelf nuttig moet maken. Maar in feite heb je een vak geleerd, je bent historica, een verhalenvertelster, iemand die anderen een spiegel voorhoudt, dus heel nuttig.

Ik las dit en dacht meteen: ja ja ja, o ja dat is het, zo is het en dat wil ik. Ik ben Suus en ik vertel verhalen. Dat, boven alles. (En hieruit ontstaat ook meteen een dieper verlangen: ik zou graag nog meer en vaker verhalen willen vertellen dan ik nu doe, ook andere verhalen, jouw en hun en onze verhalen, opschrijven, in beeld brengen, wat dan ook – ik voel het zo diep vanbinnen dat het bijna brandt.)

En iemand anders mailde me wat soortgelijks, waarbij hij zelfs nog een stukje verder inzoomde op het creatieve proces:

En toch… toch blijf ik het opzoeken. (…) Toch blijft het gevoel van iets MAKEN, iets met zorg samenstellen met een doel, iets waarbij zoveel verschillende puzzelstukjes bij elkaar moeten komen (editing, beeldmateriaal, effecten, onderwerpen etc.) een soort aantrekkingskracht hebben voor mij. De beste omschrijving is denk ik dat het voor mij geldt als creatieve uitlaatklep. Een uitlaatklep in de vorm van kortstondige projecten waar iets haast tastbaars uit komt. Iets waarin je andere mensen mee kunt nemen. Iets waarin ik een verhaal kan vertellen dat ik graag wil vertellen. 

Again: JA. Goede realisatie ook, dat ook de strubbelingen en twijfels (in dit geval met video’s maken) deel zijn van het creatieve proces. Omdat het per definitie kwetsbaar is. Met schrijven herken ik dat inmiddels goed – ik weet dat er bij élk verhaal dat ik maak een fase is waarin ik denk: GOD DIT WORDT HELEMAAL NIKS, WAAR BEN IK IN HEMELSNAAM MEE BEZIG. En dat ik dan gewoon stug door moet gaan en dat ik uiteindelijk, achteraf, vaak blij ben met het resultaat.

Is zelfs nog steeds zo met de blogjes die ik hier schrijf – terwijl, kom op, ik doe dit letterlijk m’n halve leven! Toch kan ik nog steeds denken dat “de dingen die ik nu schrijf veel matiger zijn dan een tijd geleden, vroeger schreef ik mooier en beter en scherper”, et cetera. Lees ik stukjes terug van bijvoorbeeld vijf jaar of nog langer geleden, dan ben ik bijna verbaasd (in positieve zin) over hoe ik toen schreef. Terwijl ik ook weet dat ik toen niet bijster blij was met m’n meeste schrijfsels.

Goed, ik dwaal af – terug naar waar ik deze post mee begon. Iemand schreef me dus een berichtje waaruit één zin specifiek bleef hangen:

Ik vind het juist heel positief als mensen er niet helemaal gelikt uitzien, daarmee geef je anderen ook ruimte en toestemming om niet supermodel-mooi te zijn.

Spijker op z’n kop. Elkaar toestemming geven, mooi gezegd vind ik dat.

Ik moest meteen denken aan hoe ik laatst spontaan langskwam bij S, zij de deur opendeed en een van de eerste dingen die ze zei was: ‘ik dacht nog, moet ik nou make-up op mijn hoofd smeren maar toen dacht ik, ach nee het is Suusie, dat is toch niet nodig, en ik ben blij te zien dat jij ook niets op hebt’.

Ik moest lachen en zei haar dat ik, voordat ik op de fiets stapte, inderdaad precies dezelfde gedachte had. Ik ga naar S en die vindt het prima als ik gewoon in mijn chill-trui en zonder make-up op haar bank zit, die vindt me niet minder leuk zo.

Hoe fijn is het als je – zéker bij de mensen die dichtbij je staan – je niet mooier, beter, gelikter of gezelliger hoeft voor te doen dan je bent? Dat je gewoon jij mag zijn, zonder maskers.

Sterker nog, wie zegt er eigenlijk dat je dan minder ‘mooi’ bent? Dat is zo’n diepgeworteld idee, de mooie versie van jezelf is de versie waarvoor je moeite hebt gedaan. Uh, waarom eigenlijk – is dat wel zo? Ik keek laatst een video van YouTuber Marije (ditgebeurterals) die een week lang zonder make-up door het leven ging. In alle eerlijkheid, mijn eerste gedachte bij haar ‘natuurlijke’ gezicht was: meid wat ben je prachtig zo, wat zonde om die puurheid altijd te willen verbergen en het gevoel te hebben dat het niet goed genoeg is…

(Nog even los van het feit dat ik me realiseer dat dit óók weer klinkt als ‘oordeel’ en dat de focus op deze manier nog steeds op uiterlijk ligt, het hele punt is denk ik, en nu citeer ik weer een lezeres van die avondpraat-blog: je bent niet óf nep óf echt, je kunt een eerlijke vlog maken met mascara op, en de keer daarna met mascara én bb cream, of wat je maar wil! We nemen je serieus. En je ‘moet’ helemaal niks.)

Maar goed, elkaar toestemming geven dus. Wat ik ook ervaar is dat je, juist door zulke kwetsbaarheid te tonen, dichter bij elkaar komt. Doordat je niet bezig bent jezelf te “presenteren” naar de ander, kun je meer aandacht richten op het gewoon zijn, op het contact. Je hoeft de ander er niet – met mooie kleren, een opgemaakt gezicht, de nieuwste telefoon of wat dan ook – van te overtuigen dat je cool bent. Want je bent het al.

Dat neemt overigens niet weg dat het soms fijn is om tijd en energie te besteden aan je uiterlijk – ook dat kan een vorm van zelfzorg zijn. Ik denk dan vaak terug aan iets wat (ik geloof) Lianne ooit schreef: dat het supercomfortabel kan voelen om altijd rond te lopen in je chillpants en met een slordige knot op je hoofd, maar dat het evengoed getuigt van zorg en zelfliefde om je haren te kammen, een fijne crème op je huid te smeren en wat moois aan te trekken.

En zo blijkt maar weer dat de tagline van Suushi (overigens ooit gejat uit het liedje Bitch van Meredith Brooks) nog altijd geldend is:

I’m a little bit of everything, all rolled into one.

0

vergeving

Soms vind ik het confronterend om te bedenken dat ik over een maand 29 word, en nog steeds

nog stééds zo bezig kan zijn met wat anderen over mij denken. Hoe het nog altijd mijn gedachten kan beheersen en ik me er mijn gedrag op aanpas. Het is wel wat minder dan vroeger hoor, ben ik geneigd daar meteen achteraan te typen – maar is dat wel zo?

Sinds een tijdje ben ik bewust aan het oefenen, mezelf exposure aan het geven. Mezelf blootstellen aan mijn angsten. Het is namelijk allemaal angst, natuurlijk, diepgewortelde angst voor afwijzing, angst dat mensen me niet leuk vinden – en dat ze me (dus) verlaten, of ik minder kansen krijg in het leven.

Maar hey, laat ik het eens omdraaien: welke kansen ontneem ik mezelf door zo te leven?

Hoe dan ook: exposure, zal elke therapeut je vertellen, is een van de meeste effectieve remedies tegen angst. Zelf heb ik dat vaak genoeg ervaren. Vroeger vond ik het bijvoorbeeld doodeng om mensen te bellen, helemaal als anderen me konden horen terwijl ik belde. Nou, een paar maanden werken als journalist helpt je daar wel vanaf. En nadat ik een (klein) auto-ongeluk veroorzaakte, had ik maandenlang paniekaanvallen achter het stuur. Door toch stug door te blijven rijden – en samen met B mijn gedachten te onderzoeken: waar ligt de angst in, is dat waar, is dat reëel? – zijn ze op een gegeven moment ‘vanzelf’ overgegaan.

Maar ja, bel- en rij-angst zijn (althans voor mij) een stuk kleiner en overzichtelijker dan die diepe angst om raar of stom gevonden te worden.

En terwijl ik dat zo typ denk ik weer: en wat dan nog? Wat als mensen je inderdaad raar of stom vinden, of het niet eens zijn met wat je doet, so what? Waarom ben je daar nu zo bang voor, wat is het ergste dat er kan gebeuren?

Intussen blijft mijn hoofd fulltime aan het werk om alle mogelijke scenario’s uit te denken, alles om maar de illusie van grip te ervaren, om niet onverwacht afgewezen te worden. Interessant ergens wel, om keer op keer te merken hoe vaak ik zulke kronkels heb – want keer op keer blijkt dat er niets van klopt.

Toen ik deze week bijvoorbeeld als een van de eersten wegging op de bruiloft van E en J, was ik bang dat mijn lieve vriendin daar heel teleurgesteld over zou zijn. (Het was trouwens wel een stap in ‘zelfzorg’ om het wél te doen; ik was al een tijdje op, vroeger zou ik het uitzitten, nu bedacht ik me dat zij dat waarschijnlijk ook niet zou hebben gewild – andersom zou ik het in elk geval niet fijn vinden als mensen tegen hun zin op mijn feestje zouden blijven.)

Hoe dan ook, het bleef de dagen erna knagen (en in mijn hoofd wordt zoiets al snel: ‘slechte vriendin, ze heeft nu natuurlijk spijt dat ze jou als getuige heeft gevraagd’), dus ik besloot het bij haar te checken. Haar reactie: oh joh, ik heb helemaal niet geregistreerd wanneer iedereen weg ging, ik vond het vooral fijn dat mensen niet allemaal tegelijk gingen zodat ik met iedereen nog even kon praten.

Zo zie je maar.

Zulke voorbeelden heb ik te over. Gisteravond nog, toen de Journalist hier kwam eten en rond 10 uur na zijn kop thee aankondigde dat hij er maar weer eens vandoor ging. Ik denk dan meteen: heb ik iets verkeerds gezegd, waarom ga je al? Terwijl ik zelf ook zo vaak rond 10 uur naar huis wil omdat ik moe ben.

Ik heb dit niet bij hem gecheckt maar eigenlijk denk ik ook: zelfs áls hij naar huis ging omdat hij even genoeg van me had, hoe erg is dat? Moet ik dan voortaan mijn gedrag aanpassen om dit te voorkomen? Nee, dat is nu juist het punt – ik wil het durven laten botsen en schuren, en zo ook mijn ruimte (meer) in gaan nemen.

Goed, die exposure dus. Hoe dan? Zo bijvoorbeeld:

  • In sociale situaties bewust ‘gewoon erbij zitten’, niet leuk en gezellig doen. In mijn hoofd vindt iedereen me dan saai, tegelijkertijd kost dat ‘gezellig doen’ vaak bakken energie.
  • Niet meer lange tijd van tevoren alle afspraken vastleggen – en bijvoorbeeld beloven dat ik naar feestjes of verjaardagen kom. Zelf wil ik veel liever de vrijheid voelen om wel of niet te gaan, afhankelijk van hoe alles op dat moment is en loopt.
  • Blijven vloggen en video’s maken. Ook al poppen in mijn hoofd nog altijd regelmatig hoofdjes/stemmen op van mensen in mijn omgeving die dan roepen hoe stom, egocentrisch en oppervlakkig dit is. Ik vind het leuk om te maken en als je het niets vindt, hóef je het niet te kijken.
  • Zonder make-up de deur uit (blijven) gaan, juist ook naar sociale afspraken. Ik doe dit gelukkig regelmatig en hoewel het soms enorm kwetsbaar voelt (zeker als m’n gesprekspartner duidelijk wél voor de spiegel heeft gestaan) ben ik ook blij dat ik het kan. (Hier volgt nog een blogje over.)
  • Tijd alleen doorbrengen. Ook – juist – als ik niet weet wat ik met mezelf aan moet.
  • Bewust dingen doen waarvan ik weet (of nee: waarvan ik dénk te weten) dat anderen het niet ‘likeable’ vinden.

En ach, nu ik dit allemaal heb opgeschreven en het nog eens doorlees, denk ik ineens: misschien is mezelf altijd maar weer over m’n angsten heen pushen de remedie niet. Niet altijd, in elk geval. Zoals ik gisteren al schreef, het voornaamste dat mensen in m’n omgeving me teruggeven is dat ik te streng en te hard voor mijzelf ben.

Mildheid, dat brengt me veel verder geloof ik. Zachtheid in me creëren, vergeving voelen. Zorgen voor de kleine Suusie in mij.

Deze week las ik een passage in een boek dat ik aan het lezen ben (De ware worden van Margo den Ouden en Rinke Verkerk – meer hierover in m’n vlog morgen!) die me raakte:

Wat het ook is, kies er vandaag nog voor om jezelf te vergeven. Geloof niet in een leugen over jezelf. Weet dat niemand vrij is van het maken van fouten. Weet dat je niet alleen bent. Weet dat je meer bent dan je fouten. Weet dat je verleden je toekomst niet hoeft te definiëren. Weet dat je jezelf niet hoeft te straffen door jezelf niet te vergeven. je hebt zo veel meer talenten, liefde, licht en leven in je dan de fouten die je hebt gemaakt. Ga in deze nieuwe waarheid over jezelf geloven.

Ja, vergeving en zachtheid. Je eigen beste vriendin worden, ik schreef het al vaker.

Verdomme, mooie vrouw, gun jezelf dat nu eens!
Wat is dán eigenlijk het ergste dat er kan gebeuren?

0