A little bit of everything, all rolled into one

Alle dagen heel druk

ADHD, dat associeerde ik altijd met stuiterende jongetjes. Op de basisschool hadden we een jochie in de klas met ADHD. Hij had knalrode stekeltjes, een guitig sproetengezicht en kon nooit stilzitten – daarom lag er een wiebelkussen op z’n stoel.

Zelf was ik op school doorgaans een rustig meisje. Ik werkte zelfstandig en snel – vanaf groep 3 volgde ik de lesstof van een klas hoger – en was meestal gemotiveerd. Vaak kon ik muisstil zitten werken en dan hoorde ik niets of niemand om me heen. Thuis ook: dan zat ik uren te lezen of te spelen en registreerde ik de vraag van mijn moeder pas als ze voor de derde keer riep.

De middelbare school en universiteit vormden op leergebied geen probleem voor me. Ik schreef altijd ijverig mee zodat ik goede aantekeningen had (de keren dat ik dat níet deed had ik een probleem), heb een cum laude vwo-diploma en een universitaire master (bene meritum) op zak.

Ik ben dus – kort door de bocht – geen klassiek probleemgeval dat continu botst met de maatschappij of daar compleet in vastloopt.

Wel had ik één grote valkuil, die me al zo lang ik me kan herinneren steeds weer parten speelt: teveel hooi op mijn vork nemen. Almaar doorrennen. Te hard gaan.

Op alles JA zeggen

Ja, dat doordraven van mij. Niet op tijd voelen dat ik vermoeid of overprikkeld ben. Overal JA op zeggen en me achteraf realiseren dat ik in de knel kom. Niet kunnen inschatten hoeveel tijd of moeite iets kost en daardoor veel te veel willen doen op een dag. Kleine dingen niet kunnen onthouden. Vergeten dat ik met iemand had afgesproken of een belofte had gedaan – en alsnog álles willen doen, met een knettergek schema tot gevolg.

Nou ja, als je hier al wat langer meeleest zul je het patroon wel herkennen. ;-)

Ik heb altijd gedacht dat die dingen gewoon gebeurden doordat ik moeilijk ‘nee’ kon zeggen. Dat ik het lastig vond om mijn grenzen aan te geven – en dat is natuurlijk ook zo. Maar waarom is het eigenlijk zo lastig voor me? Waarom kan ik het ene moment overlopen van de ideeën en plannen en het volgende moment totaal overdonderd worden door alles wat nog moet?

Gevecht met de rommel

Nog zo’n terugkerende frustratie: de chaos in mijn huis. Al 29 jaar vecht ik tegen de troep in m’n leven. Stapeltjes papieren, losse voorwerpen die overal slingeren. Mijn ex had er een woord voor: suusplosies. Mijn huis is nooit víes (ik kan prima schoonmaken) maar wel structureel rommelig.* Ik weet niet hoe vaak ik niet met m’n handen in het haar heb gezeten, ik heb nota bene gisteren nog opgeruimd, hoe kan het nou alwéér een zooi zijn?

*Tegenwoordig wat minder dan vroeger, dankzij eindeloos gewoontes drillen én een lief met extreme opruimwoede. ;-) Maar ik moet mezelf serieus nog elke keer actief dwingen om mijn kop erbij te houden. Boterham gesmeerd? -> Deksel terug op de pindakaas -> pot in de kast. Omgekleed? -> Stapeltje kleding oprapen van de vloer -> in de was doen. Dag thuisgewerkt? -> Stapels papieren in de kast, schrijfboekje en koptelefoon in rugzak, bordjes van ontbijt en lunch, drie koppen thee en vier glazen die in een straal van 4 meter om me heen slingeren in de vaatwasser. Het klinkt allemaal zo logisch he?

I know, ik heb – of nou ja, had – ook geen idee hoe ik het voor elkaar krijg. Of hoe het kon dat ik nou alwéér mijn sleutels kwijt was. Of m’n telefoon, portemonnee of ov-chipkaart. In m’n tienertijd was het regelmatig drama & paniek bij ons thuis omdat ik nú naar school moest en niet wist waar Belangrijk Ding X was gebleven.

Tegenwoordig ben ik wat dat betreft een stuk rustiger. Het gebeurt zelden dat ik écht wat kwijt ben, de dingen duiken meestal wel weer ergens op. Om het mezelf makkelijker te maken heb ik van dingen die ik vaak kwijtraak al jaren twee exemplaren in gebruik: twee haarborstels, twee deobussen, twee scheermesjes, twee mascara’s, twee paar oortjes en twee opschrijfboekjes. Scheelt een hoop stress, ik kan altijd wel één van de twee dingen vinden. (Alleen bij die schrijfboekjes is het wel eens onhandig, want in welke van de twee had ik nou die ene set aantekeningen gemaakt?!)

Dwangbevel

Om dezelfde reden – mezelf dingen makkelijker maken – zet ik álles in mijn agenda. Niet alleen mijn werkdagen inclusief locatie, dates met vrienden, yogalessen en kappersafspraken, maar ook dingen als ‘taart bakken’, ‘oma bellen’ of ‘pakketbezorger komt’.

Doe ik dat niet, dan is de kans vrij groot dat ik me op zaterdagochtend realiseer dat we over twee uur bezoek krijgen en ik B had beloofd om cheesecake te maken – terwijl die een nacht in de oven moet voor-ie klaar is.

Rekeningen, ook zoiets. Hoe vaak ik niet een aanmaning heb gehad?! Deze zomer nog – we kwamen terug uit Frankrijk en in mijn mail lagen maar liefst zeven (!) betalingsherinneringen op me te wachten, waarvan twee met flinke incassokosten. Terwijl ik nota bene de dag voor de vakantie bewust alles was nagelopen om te betalen wat nog open stond – dácht ik.

Het dieptepunt was toen ik ooit een blauwe envelop ontving waar zoiets op stond als DIRECT OPENMAKEN. Blijkbaar was ik tot drie keer toe vergeten 60 euro naar de Belastingdienst over te maken – waarop ze me een ‘Dwangbevel van de Koning‘ stuurden. Meer dan honderd euro, binnen 2 dagen betalen anders leggen we beslag op je eigendommen. Oeps.

De puzzel in elkaar leggen

Nou goed, zo kan ik nog wel even doorgaan (haha – pun intended). Het zijn allemaal flarden natuurlijk. Of eigenlijk: puzzelstukjes.

Toch had ik dat totaal niet in de gaten. Integendeel: toen mijn therapeute vorig jaar in ons eindgesprek ineens opperde dat de rusteloosheid die ik ondanks 2,5 jaar therapie nog stééds ervoer misschien wel ADHD kon zijn, viel ik bijna van m’n stoel.

Serieus, ik, ADHD? Had ze überhaupt wel opgelet tijdens al die sessies? (Nou, dat had ze dus inderdaad.)

Ondanks m’n aanvankelijke ongeloof vond ik de gedachte ergens ook prikkelend. Tot dan toe hadden we altijd in m’n verleden gezocht naar verklaringen voor mijn onrust. Maar wat als op z’n minst een deel ervan gewoon te maken heeft met hoe mijn brein werkt?

Anyway, ik voelde me na dat gesprek vooral een beetje…raar. Die avond kwam een vriendin eten en omdat ik er best mee zat, vertelde ik haar en B aarzelend wat de psycholoog had gezegd. Ik geloof dat ik vooral had verwacht dat ze me ongelovig zouden aankijken.

Maar dat deden ze dus niet.
‘Oh,’ zei S bedachtzaam. ‘Oóóoh. Dat kan ik me eigenlijk heel goed voorstellen.’

Koptelefoon op en gaan

Ook B vond het geen gekke gedachte, en in de weken erna begonnen hem dingen op te vallen in mijn gedrag. Dingen die er altijd al waren, maar-ie eerst niet aan elkaar had gekoppeld.

Met mij naar IKEA vindt hij bijvoorbeeld vreselijk. Ik moet namelijk ALLES bekijken en zelfs als we strakke afspraken maken (‘maximaal drie kwartier binnen’) moet hij me continu meesleuren (‘Suus, we gingen een eetkamerlamp kopen, geen nieuwe pannenset!’). Niet dat ik zo van shoppen houd, er is gewoon ZO VEEL TE ZIEN op de woonboulevard dat ik compleet doordraai en door de bomen het bos niet meer zie.

Of het fenomeen ‘hyperfocus’. Dat woord gebruik ik al jaren om de staat aan te duiden waarin ik werk: koptelefoon op en gáán. Werken is bij mij alles of niets, qua concentratie. Ik kan niet ‘een beetje rustig doorwerken’ en heb nooit begrepen hoe anderen dat doen. Dan ben je toch de hele tijd afgeleid door honderd dingen?

Blijkt hyperfocus dus een belangrijk kenmerk van ADHD te zijn. Net als hooggevoeligheid trouwens (een ‘diagnose’ die ik mezelf jaren terug al eens had gesteld).

En dan was er natuurlijk nog dat snelle praten van me, iets waar ik al sinds de basisschool mee worstel. Hoe dan ook: genoeg reden om eens uit te zoeken hoe en wat.

Tijd voor de test

Half augustus kon ik terecht voor de testdag. Die zou een halve óf een hele dag duren, afhankelijk van of de diagnose werd gesteld. Voor de zekerheid hield ik de middag vrij, maar minstens de helft van mij verwachtte gewoon om half één weer buiten te staan.

Nou, verrassing, zo liep het dus niet helemaal. ;-)

Ik kan van alles over de testdag zeggen maar ik raad je aan om de post van Lianne hierover te lezen, die schrijft het al precies goed op.

Hoewel ADHD natuurlijk geen eenduidig beeld is – het uit zich bij iedereen anders, en bij vrouwen vaak anders dan bij mannen – gold ook voor mij dat in de gesprekken met de verpleegkundige, psycholoog en psychiater dingen naar voren kwamen waar ik nog nooit aan had gedacht.

Altijd zitten bewegen, bijvoorbeeld. Niet in de zin van stuiteren op m’n stoel, maar wel wiebelen met m’n voeten of tenen. En als ik een boek lees, heb ik daarna kapotgekauwde wangen.
Een heel druk hoofd dat almaar doorgaat, tig gedachten tegelijk hebben en niet weten waar ik moet beginnen in een verhaal.
Mezelf moeilijk kunnen afremmen.
Het gevoel alsof ik word aangedreven door een enorme motor, of ik een treintje in me heb dat – eenmaal op stoom – blijft doordenderen.
Nauwelijks kunnen opbrengen om iets te doen waar ik geen interesse (meer) in heb.
Als ik iets in m’n hoofd heb gehaald het meteen NU willen/moeten doen.
Het lastig vinden om een film af te kijken (sterker nog: vrijwel nooit een film afkijken als ik alleen ben).
Vaak dubbele afspraken maken. Of stress hebben omdat ik weer eens wat belangrijks ben vergeten.
Belangrijke papieren verliezen (en ze weken later terugvinden als verfrommeld hoopje onderin een tas).
Alles opschrijven, overal lijstjes van maken. (HAHA, laatste punt van dit lijstje.)

Lang verhaal kort: ik stond inderdáád aan het begin van de middag weer buiten, maar dan met een proefdosis metylfenidaat (Ritalin) in m’n lijf. “Ga maar eens door de stad lopen en kijken wat je merkt”, had de behandelaar gezegd. Na een uur moest ik terug zijn voor deel twee van de computertest die ik ‘s morgens ook al deed.

Zwart op wit

Het stomme is, hoewel drie zorgprofessionals ‘s morgens dus al hadden besloten dat ik ADHD had, geloofde ik het ineens een stuk meer toen ik die twee testuitslagen voor mijn neus had.

Test 1 (zonder medicatie) maakte ik niet eens bizar slecht, maar het verschil met test 2 (met metylfenidaat) was onmiskenbaar. Ik zat doodstil, reageerde sneller én gelijkmatiger, en maakte in twintig minuten nog maar één foutje. Bovendien had ik bij die tweede test het gevoel dat ik véél meer ruimte in m’n hoofd had.

“Als je geen ADHD had”, legde de behandelaar uit, “was dat precies andersom geweest.”

O ja, door de stad lopen was ook grappig: mijn zicht leek veel meer gekanaliseerd en ik voelde minder de neiging om ALLES TE BEKIJKEN. Ik ging bijvoorbeeld naar de HEMA, kocht een bewaardoos die ik nodig had en stond binnen 3 minuten weer buiten. Dat gebeurt me anders nooit. En wow, het was aanzienlijk rustiger in mijn hoofd.

Maar waar ik nog het meest versteld van stond, was de opmerking die de behandelaar maakte toen we de uitslag bespraken. “Hoor je zelf”, zei ze, “dat je met metylfenidaat ineens een stuk rustiger praat?”

En verrek. Ik merkte het. Ineens liet ik ‘vanzelf’ stiltes valllen tussen m’n zinnen, zonder dat ik daardoor de draad kwijtraakte. Articuleren was makkelijker – alsof niet elk woord er meer in één seconde uit hoefde. En ik voelde me sowieso minder all over the place. Niet zo geháást.

Amfetamine-achtbaan

Dat de verbale rem die ik mezelf al m’n leven lang in elk gesprek opleg ineens vanzélf aanwezig was, is voor mij genoeg reden om uit te proberen wat medicatie voor me kan betekenen.

Natuurlijk ben ik niet klakkeloos gaan slikken. Ik heb de laatste weken veel nagedacht, gelezen en met mensen gepraat. Amfetamine nemen is immers niet ‘niets’ – en jemig, dat bleek wel, afgelopen anderhalve maand. ;-) Maar goed, dat het vaak een tijdje zoeken is naar de juiste dosering was me van tevoren verteld.

Niettemin was het bij vlagen best een achtbaan.

En toch heb ik het gevoel dat dit alles me veel brengt. De diagnose, de medicatie (zeker nu die goed begint te vallen), de puzzelstukjes die ik sindsdien ontdek – in allerlei hoekjes van m’n brein en in gesprekken met anderen – en die me dingen leren over hoe ik in elkaar zit. Binnenkort start ik met een korte reeks therapiesessies met een ADHD-deskundige. Altijd nuttig, tenslotte, om jezelf nog beter te leren kennen.

Daarmee ben ik aanbeland bij vandaag. Ik merk dat ik nog véél meer schrijfstof heb, maar 2000 woorden is zelfs voor een longread-blogpost meer dan genoeg. Later meer.

Trouwens, als jou bij het lezen van dit relaas inzichten of herinneringen te binnen schieten, deel ze dan vooral!

Want ding weet ik zeker: mijn puzzel is nog lang niet klaar.

puzzel
Deze trouwens wel, maar da’s weer een ander verhaal. ;-)

Tot slot wil ik graag benadrukken dat wat je net hebt gelezen alleen een inkijkje in mijn verhaal is. Ik ben geen ADHD-deskundige, en deze post geeft zéker geen volledig beeld waaruit je over jezelf conclusies kunt trekken. Niet voor niets doen ze er bij expertisecentra een volledige dag over om een diagnose te stellen. ;-)

Dat neemt niet weg dat ik graag mijn ervaringen deel, om je meer inzicht te geven in wat ADHD is of kan zijn. Heb je vragen of ben je nog ergens nieuwsgierig naar, aarzel dan niet om me een berichtje te sturen! Sowieso vertel ik graag een keer over ADHD bij vrouwen – maar daar moet ik eerst zelf ook nog wat meer over leren. Hier vind je in elk geval een interessant artikel waarin een paar deskundigen aan het woord komen.

1+

Hunkering

S. was vanavond hier, en dus kon ik heel goed mijn nieuwe project oefenen.

Hoe langer ik de dagen alleen thuis doorbreng – en dat is nu al bijna vier maanden –, hoe meer ik tot de conclusie kom hoe goed deze manier van leven me doet. Minder onderweg zijn natuurlijk, minder prikkels, maar ik ontdek ook hoe heilzaam het voor me is om niet de hele tijd in sociale situaties te zijn.

Gevolg is wel dat ik, áls ik weer in een sociale situatie ben, merk hoe intensief dat is. Hoe hard ik altijd onbewust aan het werk ben geweest. Mijn hoofd draait overuren, is de hele tijd bezig signalen van anderen op te pikken en te interpreteren, scant continu naar mogelijke afwijzingen. En doet alles om die te voorkomen.

Anders gezegd: mijn kleine, kwetsbare ik hunkert fulltime naar bevestiging.
Vreselijk vermoeiend, natuurlijk. Geen wonder dat ik dan liever alleen ben.

Tegelijkertijd besef ik dat het niet zo hóeft te zijn. Ik geloof niet dat ik gemaakt ben om hele dagen in m’n uppie te slijten. Ja, ik ben introverter dan ik dacht. Ik wil niet meer zonder Suustijd, maar dat betekent niet dat ik geen sociaal contact nodig heb.

Sterker nog, ik denk dat ik heel veel blijdschap, voldoening en levensgeluk kan halen uit samenzijn met anderen. Dat doe ik natuurlijk al, maar ik bedoel: dat het me méér kan opleveren, en minder hoeft te kosten dan nu.

Daarvoor staat me wel iets te doen. Actief oefenen dus, een andere houding aannemen, leren te ontspannen als ik met anderen ben. Niet meer zo hard werken. Dat begint natuurlijk met opmerken dat ik dit uberhaupt doe, en vervolgens mezelf een aai geven en proberen terug te keren naar mijn basis. Het is oké, Suusie, je bent oké.

Anders gezegd: ik mag zélf leren kleine-ik het vertrouwen te geven dat ik tot nu toe altijd buiten de deur zocht.

Doodeng natuurlijk, want in die bevestiging van anderen vond ik jarenlang veiligheid. Toch geloof ik dat dit de enige manier is: gewoon proberen – te beginnen bij mijn liefsten misschien – en dan ontdekken dat mensen heus niet weglopen. (En als ze dat wel doen, tja, pijnlijk maar dan waren het blijkbaar geen mensen bij wie ik echt mezelf kon zijn.)

In dit proces vind ik het verfrissend om te ontdekken dat dit mechanisme bij sommigen compleet niet speelt. Of zelfs weerstand oproept. Zo schreef Lianne dat zij gillend gek wordt als ze voelt dat mensen bevestiging zoeken. En B heeft vrienden die zich totaal niet druk maken over dingen als ‘ik heb nu al twee keer ‘nee’ gezegd, dan moet ik de derde keer ‘ja’ zeggen anders is het stom voor de ander’. Ze zeggen gewoon wat ze denken en willen.

Zulke voorbeelden helpen me verder. Ik wil dat ook leren in mijn vriendschappen, familiecontacten en werkrelaties. Dat betekent wel dat ik hier en daar wat moet doorbreken, want door die onbewuste behoeften heb ik vooral mensen om me heen verzameld die ook wel lekker gaan op continue bevestiging van anderen. Dat zijn immers mensen bij wie ik me prettig en veilig voel – ik kan de hele tijd tegen hen zeggen dat ik hen lief vind en dan vinden ze me aardig en ze zeggen ook nog dat ze mij lief vinden!

Maar ja, voor je het weet zit je elkaar de hele tijd te vertellen dat het heus wel goed en oké is en te vragen of de ander wel zeker weet of ze iets wil en jezelf te excuseren als je een keus maakt want als jij het andere wilt is dat natuurlijk óók helemaal prima.

Eveneens enorm vermoeiend.

Tijd om dat te doorbreken dus. En dat dat veel beter kan uitpakken dan je van tevoren denkt, ontdekte ik vanavond. S en ik aten burgers, dronken wijn terwijl we op het randje van de openslaande tuindeuren zaten, en steeds weer probeerde ik te blijven voelen. Niet te fixen, niet te entertainen.

Gewoon de zomeravond te laten stromen.

‘Ik ontdekte dat het steeds meer lukt om echt bij je te ontspannen’, schreef ik haar na afloop een tikje trots.
Waarop ze terugstuurde: dat zie ik, je kwam ontspannender over dan soms. Minder spanning in je gezicht. En door meer ontspanning bij jou kan ik ook meer ontspannen.

Misschien is de gloeiende trots die zich door m’n lichaam verspreidde weer het volgende shot bevestiging, maar hé, nee, dit voelt anders. We komen samen verder. Dieper.

Ik kan maar één ding concluderen: al dat oefenen begint z’n vruchten af te werpen.

0

Luxepoes

Zoals bijna alle millennials die in de grote stad wonen, laat ik zo nu en dan een avondmaaltijd bezorgen. Pizza, Thais, Indiaas, sushi of burgers – de keuze is in Utrecht natuurlijk reuze.

En tja, als je dan moe en hongerig thuiskomt na een lange werkdag, of op een brakke zondag niet van de bank te branden bent, is een portie gemaksvoedsel zo besteld.

Niet dat ik wekelijks lege pizzadozen naar de papiercontainer breng hoor, maar als ik m’n bankrekening check zie ik dat er – zeker sinds het begin van de coronatijd – toch elke maand wel minstens één afschrijving van Deliveroo of Thuisbezorgd bij zit.

Ik voel me daar altijd wat dubbel over, realiseerde ik me vandaag toen een vriendin vrolijk vertelde over de pokébowl die ze zojuist besteld had. Met glimmende oogjes (we waren aan het FaceTimen) zag ik haar al genieten bij het vooruitzicht om straks die kom rijst met rauwkost en spicy tuna te verorberen.

Als ik eten bestel, zei ik – mijn gedachten vormend terwijl ik ze uitsprak – is het bijna alsof ik daar nooit écht 100 procent van mag genieten. Ergens in mijn hoofd mort altijd een stemmetje: wat een geldverspilling, en lui bovendien, je kunt toch heus gewoon een maaltijd koken, stel je niet zo aan, verwende yup ben je ook.

Eten bestellen voelt als de makkelijke, inferieure optie, de easy way out.

En pas toen ik dat zo hardop uitsprak, merkte ik welk oordeel ik hierin nog naar mezelf heb. Ik weet ook waar dat vandaan komt: als wij vroeger als gezin ergens heen gingen, namen we (in mijn herinnering althans) altijd gesmeerde boterhammetjes mee voor onderweg. En ik kan me niet herinneren dat we ooit voedsel bestelden – afgezien van misschien een keer per jaar afhaalchinees.

Natuurlijk waren dat andere tijden (zeker de eerste jaren na de scheiding van mijn ouders, toen mijn moeder alleenstaand én kostwinner was), maar blijkbaar maakt dat niet uit voor wat mijn hoofd als “normaal” en “goed” is gaan zien. Blijkbaar is er iets in mijn brein genesteld dat maakt dat ik ruim twintig jaar later nog stééds niet honderd procent zorgeloos kan genieten van een bezorgpizza (en dat heeft dan niets te maken met calorieën). En me ergens een tikje schuldig voel als ik ga voor vegaburgers in het park, terwijl we die ook thuis hadden kunnen bakken.

Niet dat ik me laat leiden door die gedachten – zoals gezegd: ik bestel regelmatig voedsel, geniet daar ook van en voel me dankbaar dat het kan! – maar puur de constatering dat er blijkbaar ergens een rem zit, een deel van mij dat m’n eigen gedrag afkeurt.

Ik heb het niet alleen bij eten bestellen, besefte ik. Ook als ik kies voor een luxe hotelovernachting, naar een dure kapper ga, ‘zomaar’ een nieuwe gadget koop, bij de sauna kies voor een massage-arrangement of goede wijn insla, komt dat stemmetje om de hoek kijken.

Alsof er iemand afkeurend over mijn schouders heen kijkt: tss, wat denk je wel niet, jij luxepoes. Misschien schaam ik me zelfs een beetje dat ik ervan geniet.

Schuilt er toch zowaar een kleine calvinist in me.

“Ik vind het echt alleen maar heerlijk om af en toe te bestellen”, zei mijn vriendin nuchter – het was niet in haar opgekomen dat je je om zoiets schuldig zou kunnen voelen. Verhelderend vond ik dat, zeg. O ja, zo kan het ook!

Ineens moet ik denken aan toen ik in Taiwan woonde. Daar kookte ik een half jaar lang niet, uit eten gaan was de standaard – deed iedereen trouwens. Waarom vind ik in Nederland af en toe mijn maaltijd door anderen laten bereiden dan ineens een probleem?

Ik geloof dat ik hier maar eens mee ga oefenen: werkelijk onbezorgd genieten (pun intended)*. Voluit durven leven hoe ik wil leven, want daar komt het natuurlijk weer gewoon op neer.


*En dus niet eens “oké zijn met mijn tekortkomingen”, want hoezo is zo nu en dan pizza bestellen ineens een imperfectie of tekortkoming? O ja, ik was natuurlijk een véél beter mens geweest als ik mijn hele leven lang elke avond zelf in de keuken sta.

0

slecht nieuws

Slecht nieuws brengen, leerde ik van B, moet je direct doen. Als (huis)arts moet hij natuurlijk wel eens serieuze slechtnieuwsgesprekken voeren, dus in de opleiding besteden ze veel aandacht aan hoe je dat het beste doet.

Meteen zeggen dus. Geen doekjes om winden dus, niet uitstellen. Een korte aanloop om de ontvanger mentaal voor te bereiden, en dan zonder omhaal to the point komen.

‘Ik heb de uitslagen binnen, en ze zijn niet goed.’ Of, buiten de context van het ziekenhuis: ‘Laat ik maar meteen zeggen: ik heb geen leuk nieuws voor je.’

Het nieuws brengen. Daarna een stilte laten vallen, in afwachting van de reactie van je gesprekspartner. En dan het gesprek aangaan.

Mooi bedacht, maar dóe het maar eens. Deze week kon ik oefenen; ik had niet zulk leuk bericht voor een van de vaste opdrachtgevers van Einder. Geen kwestie van leven of dood natuurlijk, maar evengoed vervelend: het project dat we aan het doen zijn, loopt twee weken uit – terwijl de klant duidelijk had aangegeven dat dat geen optie was.

Nu heb ik er sowieso een hekel aan om mensen teleur te moeten stellen, en ik had dan ook alles geprobeerd om de situatie te voorkomen, maar ja, het was niet anders. En dan is het aan mij als projectleider om duidelijkheid te bieden.

Ik had het mailtje al bijna af – zorgvuldig gekozen woorden, goede opbouw – toen ik bedacht: laat ik tóch bellen. Mailen is voor mij in m’n comfort zone; zoals je weet voel ik me op schrift veel (taal)vaardiger dan mondeling, ik kan mijn woorden rustig afwegen en heb niet het probleem dat ik van de zenuwen veel te snel of onduidelijk ga praten.

Maar toen ik dacht ik aan wat B ook had gezegd: slecht nieuws kun je beter mondeling brengen, niet per mail of sms. Je ziet, hoort en voelt meteen hoe iemand reageert, je kunt zelf meer overbrengen hoe rot je het vindt, er ontstaat een gesprek waarin je er samen uit kunt komen.

Een mailtje is daarmee vergeleken wel heel hard en onpersoonlijk, je boodschap kan zomaar verkeerd vallen, en bovendien zit je na verzending de hele tijd in de zenuwen of de ander het al gelezen heeft en hoe hij/zij zal reageren.

Tja, maar dat maakt het nog niet leuk of eenvoudig om te doen. Bellen is veel meer de confrontatie aangaan. Kwetsbaarder, het ongemak opzoeken.

Nu weet ik dat deze opdrachtgever een heel prettig, redelijk en menselijk persoon is – dat maakte het misschien moeilijker om haar teleur te stellen, maar gaf me ook het laatste zetje om de telefoon te pakken. Met klamme handjes, dat wel.

Toe maar Suusie, zei ik tegen mezelf, niet nadenken, gewoon doen. Juist omdat je het eng vindt, valt hier veel te leren.

De klant nam op, ik bracht het nieuws. Ze was even stil. Tja, zei ze toen, ik begrijp het, dan is het niet anders. We raakten een beetje in gesprek en al pratend kwamen we erop uit dat die twee weken aan hun kant niet eens zo slecht uitkwamen – zomervakanties en zo – en tien minuten later hingen we opgewekt op.

Man, wat viel er een last van me af.

Nu wil dat natuurlijk niet zeggen dat élk slechtnieuwsgesprek zo loopt – soms blijft een situatie nu eenmaal vervelend, ongemakkelijk, rot, en zal iemand inderdaad boos worden of teleurgesteld zijn.

Maar ook dan: je komt er overheen, je komt er samen uit. Probeer het maar eens om te draaien: als iemand jóu slecht nieuws brengt, wil je toch doorgaans ook – misschien na een eerste golf van teleurstelling of boosheid – samen kijken hoe je er in de nieuwe situatie het beste kan maken? Het getuigt van volwassenheid om over hobbels en geschillen heen te kunnen stappen, de ander te vergeven. Je mag erop vertrouwen dat je gesprekspartner die volwassen houding heeft.

De reden dat ik er tegenop zie, dacht ik naderhand, is simpelweg weer die angst. Ik ben bang om afgewezen te worden, bang dat de ander me niet meer mag, bang om kansen te verliezen.

En nu ik dit schrijf realiseer ik me hoe belangrijk het is om juist deze situaties op te blijven zoeken. Vanwege de exposure (stel anderen maar heel vaak teleur en ontdek dat de wereld gewoon blijft draaien!) en om – liefst ongeacht de reactie van die ander – tegen mezelf te leren zeggen:

Kan gebeuren, Suusie. Het is oké.

0

toestemming

Regelmatig spookt de laatste weken een berichtje door mijn hoofd dat iemand me stuurde als reactie op mijn verhaal over vloggen, make-up en bezig zijn met je uiterlijk.

Sowieso kreeg ik op die post héél veel reacties, veel persoonlijke, bijzondere en inzichtelijke woorden. Laat ik beginnen met een paar andere fragmenten te delen, want er zaten veel dingen bij die me verder hielpen.

Iemand schreef bijvoorbeeld:

Je verwijst naar de babyboomer die tegen je zegt dat je een vak moet leren en jezelf nuttig moet maken. Maar in feite heb je een vak geleerd, je bent historica, een verhalenvertelster, iemand die anderen een spiegel voorhoudt, dus heel nuttig.

Ik las dit en dacht meteen: ja ja ja, o ja dat is het, zo is het en dat wil ik. Ik ben Suus en ik vertel verhalen. Dat, boven alles. (En hieruit ontstaat ook meteen een dieper verlangen: ik zou graag nog meer en vaker verhalen willen vertellen dan ik nu doe, ook andere verhalen, jouw en hun en onze verhalen, opschrijven, in beeld brengen, wat dan ook – ik voel het zo diep vanbinnen dat het bijna brandt.)

En iemand anders mailde me wat soortgelijks, waarbij hij zelfs nog een stukje verder inzoomde op het creatieve proces:

En toch… toch blijf ik het opzoeken. (…) Toch blijft het gevoel van iets MAKEN, iets met zorg samenstellen met een doel, iets waarbij zoveel verschillende puzzelstukjes bij elkaar moeten komen (editing, beeldmateriaal, effecten, onderwerpen etc.) een soort aantrekkingskracht hebben voor mij. De beste omschrijving is denk ik dat het voor mij geldt als creatieve uitlaatklep. Een uitlaatklep in de vorm van kortstondige projecten waar iets haast tastbaars uit komt. Iets waarin je andere mensen mee kunt nemen. Iets waarin ik een verhaal kan vertellen dat ik graag wil vertellen. 

Again: JA. Goede realisatie ook, dat ook de strubbelingen en twijfels (in dit geval met video’s maken) deel zijn van het creatieve proces. Omdat het per definitie kwetsbaar is. Met schrijven herken ik dat inmiddels goed – ik weet dat er bij élk verhaal dat ik maak een fase is waarin ik denk: GOD DIT WORDT HELEMAAL NIKS, WAAR BEN IK IN HEMELSNAAM MEE BEZIG. En dat ik dan gewoon stug door moet gaan en dat ik uiteindelijk, achteraf, vaak blij ben met het resultaat.

Is zelfs nog steeds zo met de blogjes die ik hier schrijf – terwijl, kom op, ik doe dit letterlijk m’n halve leven! Toch kan ik nog steeds denken dat “de dingen die ik nu schrijf veel matiger zijn dan een tijd geleden, vroeger schreef ik mooier en beter en scherper”, et cetera. Lees ik stukjes terug van bijvoorbeeld vijf jaar of nog langer geleden, dan ben ik bijna verbaasd (in positieve zin) over hoe ik toen schreef. Terwijl ik ook weet dat ik toen niet bijster blij was met m’n meeste schrijfsels.

Goed, ik dwaal af – terug naar waar ik deze post mee begon. Iemand schreef me dus een berichtje waaruit één zin specifiek bleef hangen:

Ik vind het juist heel positief als mensen er niet helemaal gelikt uitzien, daarmee geef je anderen ook ruimte en toestemming om niet supermodel-mooi te zijn.

Spijker op z’n kop. Elkaar toestemming geven, mooi gezegd vind ik dat.

Ik moest meteen denken aan hoe ik laatst spontaan langskwam bij S, zij de deur opendeed en een van de eerste dingen die ze zei was: ‘ik dacht nog, moet ik nou make-up op mijn hoofd smeren maar toen dacht ik, ach nee het is Suusie, dat is toch niet nodig, en ik ben blij te zien dat jij ook niets op hebt’.

Ik moest lachen en zei haar dat ik, voordat ik op de fiets stapte, inderdaad precies dezelfde gedachte had. Ik ga naar S en die vindt het prima als ik gewoon in mijn chill-trui en zonder make-up op haar bank zit, die vindt me niet minder leuk zo.

Hoe fijn is het als je – zéker bij de mensen die dichtbij je staan – je niet mooier, beter, gelikter of gezelliger hoeft voor te doen dan je bent? Dat je gewoon jij mag zijn, zonder maskers.

Sterker nog, wie zegt er eigenlijk dat je dan minder ‘mooi’ bent? Dat is zo’n diepgeworteld idee, de mooie versie van jezelf is de versie waarvoor je moeite hebt gedaan. Uh, waarom eigenlijk – is dat wel zo? Ik keek laatst een video van YouTuber Marije (ditgebeurterals) die een week lang zonder make-up door het leven ging. In alle eerlijkheid, mijn eerste gedachte bij haar ‘natuurlijke’ gezicht was: meid wat ben je prachtig zo, wat zonde om die puurheid altijd te willen verbergen en het gevoel te hebben dat het niet goed genoeg is…

(Nog even los van het feit dat ik me realiseer dat dit óók weer klinkt als ‘oordeel’ en dat de focus op deze manier nog steeds op uiterlijk ligt, het hele punt is denk ik, en nu citeer ik weer een lezeres van die avondpraat-blog: je bent niet óf nep óf echt, je kunt een eerlijke vlog maken met mascara op, en de keer daarna met mascara én bb cream, of wat je maar wil! We nemen je serieus. En je ‘moet’ helemaal niks.)

Maar goed, elkaar toestemming geven dus. Wat ik ook ervaar is dat je, juist door zulke kwetsbaarheid te tonen, dichter bij elkaar komt. Doordat je niet bezig bent jezelf te “presenteren” naar de ander, kun je meer aandacht richten op het gewoon zijn, op het contact. Je hoeft de ander er niet – met mooie kleren, een opgemaakt gezicht, de nieuwste telefoon of wat dan ook – van te overtuigen dat je cool bent. Want je bent het al.

Dat neemt overigens niet weg dat het soms fijn is om tijd en energie te besteden aan je uiterlijk – ook dat kan een vorm van zelfzorg zijn. Ik denk dan vaak terug aan iets wat (ik geloof) Lianne ooit schreef: dat het supercomfortabel kan voelen om altijd rond te lopen in je chillpants en met een slordige knot op je hoofd, maar dat het evengoed getuigt van zorg en zelfliefde om je haren te kammen, een fijne crème op je huid te smeren en wat moois aan te trekken.

En zo blijkt maar weer dat de tagline van Suushi (overigens ooit gejat uit het liedje Bitch van Meredith Brooks) nog altijd geldend is:

I’m a little bit of everything, all rolled into one.

0