A little bit of everything, all rolled into one

Luxepoes

Zoals bijna alle millennials die in de grote stad wonen, laat ik zo nu en dan een avondmaaltijd bezorgen. Pizza, Thais, Indiaas, sushi of burgers – de keuze is in Utrecht natuurlijk reuze.

En tja, als je dan moe en hongerig thuiskomt na een lange werkdag, of op een brakke zondag niet van de bank te branden bent, is een portie gemaksvoedsel zo besteld.

Niet dat ik wekelijks lege pizzadozen naar de papiercontainer breng hoor, maar als ik m’n bankrekening check zie ik dat er – zeker sinds het begin van de coronatijd – toch elke maand wel minstens één afschrijving van Deliveroo of Thuisbezorgd bij zit.

Ik voel me daar altijd wat dubbel over, realiseerde ik me vandaag toen een vriendin vrolijk vertelde over de pokébowl die ze zojuist besteld had. Met glimmende oogjes (we waren aan het FaceTimen) zag ik haar al genieten bij het vooruitzicht om straks die kom rijst met rauwkost en spicy tuna te verorberen.

Als ik eten bestel, zei ik – mijn gedachten vormend terwijl ik ze uitsprak – is het bijna alsof ik daar nooit écht 100 procent van mag genieten. Ergens in mijn hoofd mort altijd een stemmetje: wat een geldverspilling, en lui bovendien, je kunt toch heus gewoon een maaltijd koken, stel je niet zo aan, verwende yup ben je ook.

Eten bestellen voelt als de makkelijke, inferieure optie, de easy way out.

En pas toen ik dat zo hardop uitsprak, merkte ik welk oordeel ik hierin nog naar mezelf heb. Ik weet ook waar dat vandaan komt: als wij vroeger als gezin ergens heen gingen, namen we (in mijn herinnering althans) altijd gesmeerde boterhammetjes mee voor onderweg. En ik kan me niet herinneren dat we ooit voedsel bestelden – afgezien van misschien een keer per jaar afhaalchinees.

Natuurlijk waren dat andere tijden (zeker de eerste jaren na de scheiding van mijn ouders, toen mijn moeder alleenstaand én kostwinner was), maar blijkbaar maakt dat niet uit voor wat mijn hoofd als “normaal” en “goed” is gaan zien. Blijkbaar is er iets in mijn brein genesteld dat maakt dat ik ruim twintig jaar later nog stééds niet honderd procent zorgeloos kan genieten van een bezorgpizza (en dat heeft dan niets te maken met calorieën). En me ergens een tikje schuldig voel als ik ga voor vegaburgers in het park, terwijl we die ook thuis hadden kunnen bakken.

Niet dat ik me laat leiden door die gedachten – zoals gezegd: ik bestel regelmatig voedsel, geniet daar ook van en voel me dankbaar dat het kan! – maar puur de constatering dat er blijkbaar ergens een rem zit, een deel van mij dat m’n eigen gedrag afkeurt.

Ik heb het niet alleen bij eten bestellen, besefte ik. Ook als ik kies voor een luxe hotelovernachting, naar een dure kapper ga, ‘zomaar’ een nieuwe gadget koop, bij de sauna kies voor een massage-arrangement of goede wijn insla, komt dat stemmetje om de hoek kijken.

Alsof er iemand afkeurend over mijn schouders heen kijkt: tss, wat denk je wel niet, jij luxepoes. Misschien schaam ik me zelfs een beetje dat ik ervan geniet.

Schuilt er toch zowaar een kleine calvinist in me.

“Ik vind het echt alleen maar heerlijk om af en toe te bestellen”, zei mijn vriendin nuchter – het was niet in haar opgekomen dat je je om zoiets schuldig zou kunnen voelen. Verhelderend vond ik dat, zeg. O ja, zo kan het ook!

Ineens moet ik denken aan toen ik in Taiwan woonde. Daar kookte ik een half jaar lang niet, uit eten gaan was de standaard – deed iedereen trouwens. Waarom vind ik in Nederland af en toe mijn maaltijd door anderen laten bereiden dan ineens een probleem?

Ik geloof dat ik hier maar eens mee ga oefenen: werkelijk onbezorgd genieten (pun intended)*. Voluit durven leven hoe ik wil leven, want daar komt het natuurlijk weer gewoon op neer.


*En dus niet eens “oké zijn met mijn tekortkomingen”, want hoezo is zo nu en dan pizza bestellen ineens een imperfectie of tekortkoming? O ja, ik was natuurlijk een véél beter mens geweest als ik mijn hele leven lang elke avond zelf in de keuken sta.

0

La La Land

Dat het leven begint buiten je comfort zone, zoals het cliché wil, ontdekte ik onlangs – of all places – in de bioscoop.

In de kerstvakantie kwam A logeren, het 13-jarige nichtje van mijn B. Ze is de dochter van zijn broer en het is een ontzettend leuk kind (al kun je iemand die bijna 14 wordt eigenlijk geen kind meer noemen, misschien). Dus nu we een huis met logeerruimte hebben, was het slaapfeestje zo geregeld.

We zouden haar meenemen naar de film, hadden we bedacht, en zij mocht natuurlijk kiezen naar welke. Om de keus makkelijker te maken had ik een pre-selectie gemaakt: de romantische kerstkomedie Last Christmas leek me wel een goede, en ik zag dat ook La La Land draaide in de grote Pathé-bioscoop van Leidsche Rijn. Die tweede is natuurlijk al drie jaar oud, dus ik vermoed dat ze ‘m vanwege de kerstdagen eenmalig nog eens draaiden.

Nadat we beide trailers uitvoerig hadden bestudeerd samen met A, koos ze voor La La Land. Wij ook blij, want B en ik hadden de veelgeprezen film met Ryan Gosling en Emma Stone ook nog niet gezien en hij stond al tijden op ons lijstje. B kocht kaartjes en hup, daar gingen we, eerst een hapje eten bij het restaurantje om de hoek en daarna naar de bios.

‘Het is wel koud zeg’, zei A nog vanaf de bagagedrager, en ze drukte zich maar eens stevig tegen mijn rug aan terwijl we over de gele brug fietsten. Het vroor inderdaad zo ongeveer en ik was blij met de gedachte dat we zo lekker binnen zouden zitten.

Dat liep even anders dan gepland.

Beneden in de hal zagen we op het bord in welke zaal de film draaide: ‘Rooftop’. En toen we de mensen voor ons iets horen zeggen als ‘gelukkig hebben ze dekentjes’, keken B, A en ik elkaar een tikje bezorgd aan.

Ik wist natuurlijk dat deze bioscoop De Sterrenkijker wordt genoemd, en herinnerde me vaag dat er een panoramadak is waar soms openluchtfilms worden gedraaid.

Maar dat ze dat ook OP 27 DECEMBER IN DE VRIESKOU zouden doen, was niet bij me opgekomen.

Dus wij naar de bovenste verdieping, half giechelend en hopend dat het tóch een zaal zou zijn, en toen zagen we het dakterras. Er stonden rijen metalen stoeltjes, omringd door gezellige vuurkorven, en op de tuinbanken zaten al wat groepjes mensen stevig ingepakt tegen elkaar.

Eh, zei ik, zal ik dan maar thee halen?

We pakten alledrie twee dekentjes uit de bak en pakten onszelf zo goed en zo kwaad in als het kon. Onze adem blies wolkjes en terwijl de voorfilmpjes van start gingen voelde ik mijn tenen al tintelen. Waar de hell zijn we aan begonnen?

Of het zo koud was als dit klinkt? JA. (Die vuurkorven waren leuk geprobeerd en het zal vast íets hebben gescheeld, maar ze zorgden vooral dat ik de volgende dag mijn winterjas kon uitwassen. ;-))

Of ik af en toe serieus overwoog maar gewoon weg te lopen – we hebben deze film nota bene ook thuis op de computer staan – ? Zeker. Waren we nou toch maar naar Last Christmas gegaan, ook die gedachte kwam natuurlijk langs.

En of we unaniem blij waren dat we die 2,5 uur zijn blijven zitten tot The End in beeld kwam? JA!

Het was namelijk een totaal andere bioscoopervaring dan ik ooit had gehad. Regelmatig was ik toch écht even meegezogen door het verhaal, om op andere momenten vooral mijn pijnlijk koude voetjes te voelen. Zo nu en dan keken we elkaar onderzoekend aan, om te fluisteren: ‘Gaat het nog?’

Halverwege kroop A bij me op schoot, B stopte alle dekentjes nog eens extra goed in en vleide zichzelf tegen ons aan.

Eigenlijk was het gewoon hartstikke knus.

Nadat de aftiteling in beeld kwam, bleven we eerst een kwartier in de hal staan om op te warmen, voor mijn benen weer in staat waren de trappen af te lopen en naar huis te fietsen.

Eenmaal thuis zette ik meteen een pot thee. We trokken onze schoenen en sokken uit, sloegen dekentjes om, B masseerde uitgebreid mijn voeten weer warm en daarna ook die van A. Als een hoopje op de bank maakten we onszelf en elkaar weer warm, aten nog een paar kerstkransjes, praatten na over de film en deze rare ervaring.

Want wát een ervaring! En wat hadden we een plezier, samen – het was op een gekke manier verbindend, deze maffe stadse ontbering. Zoals B het treffend verwoordde: ‘Had ik dit van tevoren geweten, dan was ik nóóit gegaan. Maar ik ben wel heel blij dat we dit hebben gedaan.’

Ja, het was een klein avontuur. Zo eentje in de categorie waar je over tien jaar nóg samen om lacht, ‘weet je nog die keer dat we…’

En zijn dat niet precies de dingen die je leven léven maken?

Dus inderdaad, bedacht ik de volgende dag; het leven begint buiten je comfort zone. Het begint op plekken waar je soms eerst denkt: G#TVERDEK*T wat overkomt me nu weer!? Op momenten waar je er niet om vraagt, en er al helemaal niet op zit te wachten.

Het is stom, vervelend, raar, oncomfortabel, frustrerend, bizar – eigenlijk precies die verre reizen onvergetelijk maken. De dingen waar we dan, paradoxaal genoeg, massaal naar op zoek gaan. Waardoor we zeggen: ik voel nu dat ik leef.

En het mooie is: je kunt dat dus blijkbaar óók gewoon vinden in je eigen stad.

0

Bruggetje

Tussen Veenendaal en Utrecht stond de trein plots stil. Links en rechts weilanden, coupé vol forenzen. Ik sloeg er nauwelijks acht op – een sein staat wel vaker op rood – en ging verder met het mailtje dat ik aan het typen was. Na tien minuten, reizigers begonnen onrustig om zich heen te kijken, klonk de machinist door de intercom. ‘De trein vóór ons heeft een aanrijding met een voertuig. We weten nog niet of we verder kunnen.’
 
Twintig minuten later was de intercity nog geen meter opgeschoten. Ik hoorde mensen ‘schat-ik-ben-wat-later’-telefoontjes plegen en uiteindelijk, het liep tegen zessen, was daar opnieuw de conducteur: helaas, we gingen terug naar Ede en Arnhem. Reizigers naar Utrecht konden het beste met het boemeltje via Amersfoort. Plus anderhalf uur, zag ik in de NS-app.
 
Toen gebeurde er wat moois. ‘Zeg’, stootte het meisje tegenover mij me aan, ‘ik heb een Greenwheels gehuurd in Ede en rijd naar Amsterdam. Je mag mee.’ Tof!, zei ik, maar ik moet naar Utrecht, ik weet niet of dat handig is? ‘O, ik heb de auto in Ede staan en rijd naar Driebergen-Zeist’, zei een andere vrouw, ‘stap maar in hoor, zij – ze wees op de vrouw tegenover haar – gaat al mee.’ De jongen tegenover haar kon er ook nog bij.
 
Tegen de tijd dat de trein het station binnenreed, wist iedereen bij welk groepje gestrande reizigers ‘ie hoorde. In een slinger liep mijn eigen bij elkaar geharkte gezelschap het perron af. We waren al bij de trap toen een klein meisje me aantikte. ‘Kan ik er ook nog bij?’
 
Zo belandde ik met Mariëlle, Jade, Saskia en Luuk in een dikke Range Rover. ‘Ik ben autogek’, verklaarde Mariëlle. ‘En deze vind ik de allermooiste die er bestaan. Helaas worden ze niet meer gemaakt.’
 
Grappig toch, hoe je naar iedereen wel een bruggetje kunt bouwen. Saskia werkte bij het CITO, vertelde ze, het was haar baan om geschiedenisexamens in elkaar te zetten – en laat ik dat nu net hebben gestudeerd. Jade op haar beurt bleek coassistent, ‘bijna klaar’, ze wilde dermatoloog worden en ik dacht aan mijn B z’n verhalen over het medische vak. Luuk en Mariëlle hadden het voorin nog steeds over Range Rovers – niet mijn ding, maar met een vader die graag aan oldtimes sleutelt kan ik me ook bij die passie wel iets voorstellen.
 
Het werd kortom nog best gezellig. Goed, al snel belandden we in dikke file dus qua tijd had ik waarschijnlijk evengoed via Amersfoort kunnen reizen. Twee kilometer voor de afslag zuchtte Mariëlle dat ze haar eetafspraak beter had kunnen cancellen en ik vroeg me in stilte af of ze een beetje spijt had van haar barmhartige actie.
 
Dus Mariëlle, je leest dit vast niet maar áls: nogmaals bedankt voor de lift in die stoere bak van je. Je deed meer dan een lift geven; je trok mensen van hun forenzeneilandje. We bouwden bruggetjes van saamhorigheid, al was het maar even, oefenden elkaar te helpen en te láten helpen. Voelden dat we elkaar nodig hebben, als mensen.
 
Hoe moe en hongerig ook; daar kom ik met liefde wat later voor thuis.
0

Heli

Soms kun je je zó druk maken om dingen die achteraf totaal geen punt blijken. Vooral op m’n werk heb ik daar een handje van. Terwijl, laten we eerlijk zijn: als je projecten runt, gaat nu eenmaal af en toe iets mis. Zeker als je mensen aanstuurt en niet alles zelf in de hand hebt.

Bovendien: zelden zijn die ‘problemen’ dingen waar ik een maand later nog wakker van lig.

Maar ja, dat kan ik leuk beweren, op stressmomenten is Relativerende Suus ver te zoeken. Toen vorige week een paar dingen niet lekker liepen – ik schreef er al over – zat ik de rest van de dag met buikpijn achter m’n bureau. Tegen de tijd dat ik thuis de voordeur opendraaide, kon ik m’n zelfvertrouwen in scherven van de vloer rapen.

Op die dagen zou het fijn zijn als ik een helikopter had. Even opstijgen en van een afstandje bekijken: hoe groot en belangrijk is dit echt? Staan er levens of gigantische geldbedragen op het spel? En zegt deze uitglijder iets over mijn kwaliteiten, of valt het in de categorie ‘shit die af en toe gebeurt’?

Gelukkig lukt dat uitzoomen steeds vaker – ook zonder helikopter. Zo was ik afgelopen weekend met een vriendin op weg naar de Achterhoek, waar we samen een nachtje zouden doorbrengen. Ons hotel had ik geboekt met een Bongo-bon die al een tijdje in m’n la lag.

Pas halverwege de A1 naar het oosten schoot door m’n hoofd: die Bongo-bon ligt nog stééds in de la. Naast m’n paspoort, trouwens – moet je bij hotels niet altijd een identiteitsbewijs overdragen?

(Misschien denk jij nu: eh ja, dus? Dat is zacht gezegd niet mijn natuurlijke reactie in dit soort gevallen.)

Dit alles bedacht ik terwijl we in gesprek waren, wat me de kans gaf weer wat te kalmeren voor ik het mogelijk nijpende punt ter sprake bracht. ‘Maar weet je’, zei ik, ook deels mezelf overtuigend, ‘Desnoods schrijven ze het bedrag af van m’n creditcard en stuur ik de bon achteraf op.’

Eenmaal bij de incheckbalie dwong ik mezelf om niet met zorgelijke blik aan te kondigen ‘dat ik helaas de bon vergeten ben’. In plaats daarvan noemde ik m’n achternaam, overhandigde m’n rijbewijs (dat mag blijkbaar ook) en wachtte tot de receptioniste ons de kamersleutel gaf. ‘Trouwens’, zei ik toen ze ons een fijn verblijf toewenste, ‘ik heb de papieren bon thuis laten liggen maar dat is vast geen punt?’

Dat was het inderdaad niet. En toen de ober die middag bij onze high tea – deel van het bongo-arrangement – wél naar de bon vroeg, verwezen we hem luchtig naar de receptie. Vond ‘ie prima. Trouwens, wat dat gerommel op werk betreft: afgaande op hun reacties tijdens een meeting vandaag, is de betreffende klant over de grote linie gewoon tevreden.

Soms – misschien wel vaak –  is het maar net hoe groot en zwaar je de dingen zelf maakt.

0

Sokken

Als mijn B de was doet, hangen zijn sokken altijd gezellig per paar op de lijn. Dat was me nooit opgevallen, had hij niet op een avond verbaasd uitgeroepen ‘hoe jij altijd je was over het rekje heen smijt en hoopt dat er wat blijft hangen’. Let wel, hij zei dat een keer doordeweeks na elven, ik hielp hem – de slaap in m’n ogen – zijn bijna-vergeten-eruit-te-halen-was weg te werken, maar vooruit.
 
Nu had ik tot dat moment nauwelijks stilgestaan bij mijn hangtechnieken. De was doen staat bij mij hoog op het lijstje ‘noodzakelijk kwaad’. Ik ben al blij als sokken met z’n tweeën uit dezelfde wasbeurt komen – regelmatig organiseer ik een singlefeestje waarin gelukkige paartjes elkaar terugvinden – en hoewel ik wéét dat het slecht is voor het milieu, gooi ik het liefst alles dat niet krimpt of lelijk wordt in de droger. Dat m’n wasrek een creatief ratjetoe is van shirts, sportkleding en bh’s (en geen systematisch geordend geheel) kan me bijzonder weinig schelen.
 
Andersom kan ík me dan weer niet voorstellen dat B al zijn was op het gewone 40-gradenprogramma draait. Bij mij gaan spijkerbroeken, áls ik ze al was, binnenstebuiten in de Heel Voorzichtige Fijnwas, net als truien, vestjes en ander semi-delicaat spul.
 
Wassen, dat blijkt dus een behoorlijk persoonlijke kwestie. Dit bleek opnieuw aan de lunchtafel op m’n werk. Ook een collega en haar partner bleken er contrasterende rituelen op na te houden. ‘Zodra hij ziet dat er was in de mand ligt, zet hij de machine aan. Ook als die nauwelijks halfvol zit. En dan vergeet ‘ie op de kamer van de kinderen te kijken of daar nog iets ligt’, zuchtte ze.
 
Uiteindelijk was ze tot de conclusie gekomen dat, wilde ze graag dat de was op háár manier gebeurde, ze de taak in d’r eentje op zich zou moeten nemen – en natuurlijk wél zonder hem dat vervolgens stilletjes te verwijten. Oplossen of loslaten. Sowieso een waardevolle les, trouwens, voor je relatie (en daarbuiten).
 
Maar het schaamrood kwam me toch een beetje op de kaken, toen een andere collega begon over haar puberzoon. ‘Laatst vond ik een stapel van zijn half-opgevouwen was tussen de vuile onderbroeken in de mand’, zei ze verontwaardigd. ‘Dan moet ‘ie zijn kamer opruimen en flikkert ‘ie gewoon de hele berg terug, te lui om te kijken of het gebruikt is.’
 
Net als de andere tafelgenoten viel m’n mond open van verontwaardiging. Hoe respectloos! Pas later drong tot me door: het ís mogelijk dat ik me als tiener aan vergelijkbare praktijken schuldig hebt gemaakt (als, dan: sorry mam!). De gemiddelde puber heeft nu eenmaal schandalig weinig waardering voor de service van Hotel Mama – schaamte daarover volgt pas jaren later.
 
‘Pas op’, waarschuwde B toen ik begin deze week zijn trap op naar boven liep. ‘M’n wasmand puilt uit, dat ben je niet van me gewend.’ De volgende dag greep ik m’n thuiswerksessie aan om de hele berg weg te werken. Toen hij thuiskwam, hingen alle boxers en sokken zij-aan-zij op de lijn.
 
Dat was hij dan weer niet van míj gewend.
0