Floris

Ruim anderhalf jaar alweer woon ik met vijf vrouwen in één huis. Had je me dat twee jaar terug verteld, dan was ik in lachen uitgebarsten. Weer badkamer en keuken delen, als ware ik studentje? Leven op zestien vierkante meter? No way. Zo klein woonde ik niet eens toen ik daadwerkelijk studeerde.

Maar ja, de huurprijzen in Utrecht rezen anderhalf jaar geleden óók al de pan uit, en bovendien leek een studio me na drie jaar samenwonen best stil. Nu woon ik dus ‘op de Floris’, zoals we dat hier noemen – in navolging van de huisbaas, een gepensioneerde Brabander wier dochter twintig jaar terug hier studeerde. Mijn huisgenootjes zijn gemiddeld 27 en werken al een tijdje, net als ik.

En eerlijk? Het is fantastisch. Natuurlijk vis ik soms een kluwen haren uit het doucheputje die donkerder óf lichter is dan mijn eigen lokken, en eens in de zoveel tijd gaat over de groepsapp een geërgerd berichtje over vieze pannen of een fruitvliegjesplaag. Maar ach, als je met vijf drukke yuppen in een huis woont, kun je twee dingen doen: tolerantie opbouwen of vertrekken.

Bovendien: we doen het goed samen, vind ik. Fijn om na een werkdag even te kletsen in de keuken – of je terug te trekken in je kamer, net zo oké. Soms kom je hongerig thuis en blijkt je huisgenootje een portie avondeten over te hebben. Als je geluk hebt, heeft iemand zelfs taart gebakken, ‘pak gerust’ – en heb je zelf zin om iets lekkers te maken, dan hoef je niet te vrezen dat je overhoudt. En hoe fijn om een besteld pakketje gewoon te vinden voor je kamerdeur! Voornaamste nadeel is dat in m’n mini-huisje geen fatsoenlijk tweepersoonsbed past – samen slapen op 1.20 meter is in kleffe zomernachten bést krap – maar daar kunnen m’n medebewoonsters ook niets aan doen.

Nee, het zijn vooral mensen boven de veertig die vragen ‘of ik onderhand niet groter wil wonen’. Snap ik wel, als je bij ons binnenloopt lijkt het net een studentenhuis en ik word dit jaar toch 28. Maar in tegenstelling tot de gemiddelde studentenwoning is het bij ons om tien uur ‘s avonds stil. Als ik om half zeven opsta brandt vaak al licht in de gang, de vuilnisbak puilt nooit uit en het bad wordt wekelijks geschrobd.

Dat we écht niet studentikoos meer zijn, bleek onlangs toen wasmachine én droger het hadden begeven. De huisbaas – die eerder de afzuigkap ‘repareerde’ door het ding eraf te slopen en op een dag de matig werkende oven meenam, ons verbaasd achterlatend met gat onder het fornuis – kwam een middag sleutelen. Dat leek te helpen; ‘die troep uit de buizen achter de wasmachine, té goor’, zou m’n huisgenootje die avond verklaren.

Helaas was het snel weer raak en toen hij het witgoed kwam ophalen, vreesden we herhaling van de oven-deceptie (wij hoopten op vervanging, hij had het ding ‘opgelapt’ en sindsdien duurt het een uur voor ‘ie fatsoenlijk heet is). We vielen dus van onze stoel toen hij dezelfde avond nog meldde dat ‘ie nieuw spul had besteld, ‘Coolblue bezorgt deze week.’ De held!

Zodra de witte wonderkastjes twee dagen later stonden te glimmen, verzamelden wij vijven verrukt onze opgespaarde was en ik bedacht: we mogen dan nog op kamers wonen – dit enthousiasme had op de Huishoudbeurs niet misstaan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.