Skip to content

Maand: september 2019

Blijven

Gisteren was ik op pad met E, een van mijn beste vriendinnetjes. Ik ken haar sinds de brugklas en ze is echt zo iemand van wie ik weet: zij is er, wanneer dan ook, 100 procent. Toen in m’n eindexamenjaar overspannen thuis zat was zij degene die me een hele stapel vol lieve briefjes kwam brengen, als ik op vakantie ben stuur ik altijd minstens één kaartje – naar haar –, in haar PhD-thesis (die ze komende week verdedigt) schreef ze de liefste woorden over me in het dankwoord, en volgend jaar mag ik getuige zijn op haar bruiloft.

Behalve trouwen en promoveren gaat E binnenkort ook nog verhuizen. Zij en haar vriend, pardon verloofde!, hebben een huis gekocht in een klein dorpje in de Achterhoek, waar ze eind dit jaar allebei beginnen aan een baan bij een techbedrijf.

Superleuk natuurlijk en ook een beetje gek, want de afgelopen vijf jaar woonden we maximaal een kwartiertje fietsen bij elkaar vandaan. En omdat verhuizen altijd een hoop werk meebrengt, reden we gisteren op mijn vrije vrijdag samen de A12 af naar haar nieuwe stek om wat muurtjes te witten.

Eenmaal binnen, terwijl ze me opgetogen rondleidde (en ja, inderdaad, wat een heerlijke plek!) kreeg ik ineens een brok in mijn keel. We stonden in de zonnige woonkamer en plots was het alsof het ten volle tot me doordrong: ze gaat weg, ze gaat hier verder. Haar leven is straks in dit huis, op deze plek, 125 kilometer bij me vandaan.

Natuurlijk weet ik ook wel dat de Achterhoek niet het einde van de wereld is, dat Nederland een superklein land is en dat je er zó bent, als je wilt. Bovendien is het ook niet alsof we elkaar nu wekelijks zien (hoewel, de laatste maanden doen we wel ons best ;-)).

Maar vlak nadat ik het verdriet voelde opwellen, besefte ik ook waarom het misschien zo raakt.* Mensen die weggaan, dat is een trigger voor me. Acht jaar geleden nu emigreerde mijn moeder naar Zweden en hoewel ik daar destijds nauwelijks verdrietig om was, realiseerde ik me twee jaar terug in therapie dat dat verdriet er wel degelijk zat. Ik voelde het alleen niet, onbewust rationaliseerde ik het weg, er was geen plek voor, mijn onbewuste wist zich misschien geen raad met de pijn.

Ik voelde me dus op een gekke manier heel blij, gister in die woonkamer, dat de tranen achter mijn ogen prikten en ik buikpijn kreeg. Dat ik dat (na een eerste gevoel van ‘shit ik wil niet huilen’) ook kon zeggen tegen E, dat ik om een knuffel kon vragen, dat ze me troostte. Dat ik ook vandaag door de dag heen probeer contact te maken met mijn emoties: hallo verdriet, waar ben je, kom maar hoor, ik ben bij je, nu is er ruimte en tijd.

Die hele dag gisteren bleef dat gevoel van ruimte bij me. En ook: hoe gelukkig ik me mag prijzen dat ik een vriendin heb als E, die me zo dierbaar is dat ik dit verdriet ervaar. Hoe blij ik was om deze dag samen met haar te doen. Als eerste van haar vriendinnen haar nieuwe huis zien, schilderen en grapjes maken over hoe onze huid eruit begon te zien als een omgekeerde Dalmatiër, tussendoor naar de supermarkt voor broodjes. Dit zijn de dagen jongens, dit zijn de momenten waar het om draait. Samen herinneringen maken.

‘s Avonds in de trein naar huis realiseerde ik me dat dit afscheid – van onze gezamenlijke Utrechtse jaren – en het verdriet misschien meer kan helen dan deze situatie alleen. Misschien werkt het wel zo dat als ik dit nu toelaat, er doorheen ga, ruimte blijf maken, dat er dan ook andere stukjes verdriet-om-verlies zachter worden. Dat ik de pijn die nu opborrelt kan doorvoelen en daarmee ook andere pijn heel, van acht jaar geleden, van twintig jaar geleden, omdat de pijn van nu vrijwel nooit alléén de pijn van nu is.

Ja, dat zou zomaar zo kunnen zijn.
Of niet, en dan nog is het goed, goed dat ik hier nu vanavond zit, zaterdagavond alleen op de bank, dat ik dit schrijf en weer de tranen over mijn wangen laat stromen. Dat ik probeer erbij te blijven.

*Oké en natuurlijk is het ook op zichzelf verdrietig als je beste vriendin gaat verhuizen ;-)

Laat een reactie achter

Surfen

Donderdagmiddag, ik zit aan mijn bureau bij Einder. Buiten is het zonniger en warmer dan de afgelopen twee weken, maar ondanks de helderheid mist het in mijn hoofd.

Dit zijn de momenten waarop ik me graag snel en veel laat afleiden. Ik surfte al vaker dan me lief is naar LinkedIn.com (het enige sociale medium dat ik nog heb, in principe bedoeld voor mijn werk) – uiteindelijk heb ik maar gewoon uitgelogd, in het kader van zelfbescherming.

Ik pakte m’n smartphone vaker – met ‘vaker’ bedoel ik eens in de anderhalf uur, wat nog steeds radicaal minder is dan voorheen, maar toch, ik wil het eigenlijk niet en ik kan het niet laten. Uiteindelijk zette ik het dingetje maar uit.

Ik ben moe, realiseer ik me.

Het was ook een drukke week. Drie dagen was ik bij klanten en hoewel dat allemaal leuk en goed was, was het ook wat veel. Ik verzette figuurlijke bergen, liet grote hoeveelheden informatie in en uit mijn hoofd stromen. En hoewel ik dat natuurlijk al jaren doe, merk ik deze week weer een nieuwe functie van afgeleid-zijn door social/whatsapp/smartphone: in al die drukte en veelheid geeft het me adempauze.

Althans, dat lijkt het te doen. Pardoxaal genoeg maakt smartphonestaren (of struinen over blogs, nieuwswebsites of wat dan ook) me juist méér overprikkeld, dus eigenlijk is scrollen het laatste wat ik moet doen als ik gaar ben.

Ik zal dus tijdens de werkdag andere momentjes van pauze en onderbreking moeten vinden. Even naar de keuken lopen, thee zetten en voor me uitstaren terwijl de waterkoker z’n werk doet. Een rondje buiten lopen. Gewoon even voor me uit staren (al vind ik dat enorm lastig, want ik doe niets nuttigs, knaag-knaag). Mindful zijn, mijn adem, lijf en voeten voelen. Hoe doen jullie dat? Ik kreeg van meerdere lezers reacties dat ze ook bezig zijn geweest met afkicken, benieuwd naar jullie ervaringen ermee!

Deze week lees ik op aanraden van een bloglezeres het boek Je hebt de tijd van Paul Loomans. Paul is zenmonnik en heeft een praktische handleiding geschreven voor wat hij Tijdsurfen noemt, het tegenovergestelde van time-management. Niet de tijd willen controleren en vastgrijpen, maar meedeinen op de golven ervan. Met als doel stressvrij werken en leven. Superinteressant, te meer doordat dit boekje (dat overigens ook prachtig is vormgegeven) niet heel abstract/theoretisch spiritueel is, maar juist allerlei directe aanknopingspunten biedt voor je dagelijks leven.

Want ja, natuurlijk kun je naar India gaan en dagenlang zitten mediteren op een berg. Dan word je vast rustiger. Maar het is een stuk uitdagender om hier en nu, in het drukke westerse leven van alledag, die rust te vinden. Grappig genoeg las ik donderdag in de trein naar huis precies het antwoord op mijn vragen hierboven: wat doe je als je merkt dat je concentratie op is – en hoe voorkom je dat dat te snel gebeurt?

Paul introduceert het concept van ‘witjes’; korte pauzemomenten voor je brein, waarin je geest zich kan ontspannen. Dat betekent niet dat je letterlijk niets hoeft te doen – volgens Paul is het voor mensen met een kantoorbaan ideaal om bijvoorbeeld even thee te zetten, een klein afwasje te doen, een blokje om te lopen of wat anders fysieks te doen. Het gaat erom dat je iets doet waarbij je niet bewust hoeft na te denken.

Ik geloof dat ik die witjes komende week maar eens in mijn werkdag ga introduceren.

3 reacties

La Tortuga

Je zou het haast vergeten met al dat gemijmer over mijn telefoon, maar er was ook nog dat sterrenetentje.

Niet dat we van tevoren van plan waren om exorbitant uit eten te gaan in Italië, hoor. Natuurlijk wilden we lékker eten en ik pakte dat mooie jurkje niet voor niets in – ik had wel verwacht dat we vroeg of laat ergens uitgebreid zouden gaan dineren. Maar tot nu toe at ik in mijn leven twee keer in een restaurant met een Michelinster (en beide keren betaalde ik niet zelf) en ik was niet direct van plan daar tijdens deze zomervakantie een derde keer aan toe te voegen.

Maar toen reden we aan het begin van de tweede vakantieweek naar Gargnano, een klein dorpje aan de westoever van het Gardameer. Ik had het plaatsje gevonden in de Lonely Planet (The Italian Lakes), waarin het werd omschreven als een prachtige, rustige plek in de luwte, zonder al te veel toeristen. Of in Lonely Planet-taal: it’s around Gargnano that the mountains really kick in. They rear so steeply it’s overwhelming – you don’t just look at views like these, you step into them. Thanks to its awkward location (at the point when the road north becomes a tortured set of dynamite-blasted tunnels), Gargnano has been spared the worst excesses of the tourism industry and it retains a pleasant, local feel.

Klonk best goed – en dat bleek het inderdaad te zijn. Behalve die tunnels dan, de auteur overdreef niet toen-ie tortured schreef, maar da’s weer een ander verhaal.

In de Planet stonden ook twee eettentjes in Gargnano. Eén ervan was La Tortuga, een restaurant met een ster. Min of meer voor de grap las ik het tekstje in de auto voor aan B. Het was een vrij lyrisch verhaal over goed eten zonder opsmuk en geweldige wijnen. Moeten we daar niet heen?, vroeg hij. (En die beweert nog steeds dat ík de enige foodie ben van ons twee, gna!)

De hele week aan het Gardameer herhaalden we die vraag zo nu en dan. Eerst grappend met een ‘yolo’-tintje, daarna serieuzer. Want ik bedoel, hoe vaak komt het voor dat je in het land met het lekkerste eten ter wereld bent, op loopafstand van een restaurant met een Michelinster? Hoe veel lekkerder kun je eten in je leven?!

Zo kwam het dat we op de één-na-laatste avond van de vakantie het camping-gruis zo goed als we konden van ons af schrobden, en de beste kleding aantrokken die we bij ons hadden (ik dat jurkje, B een lange broek en overhemd – al trok hij dat laatste pas om de hoek van het restaurant aan, want we moesten toch een half uur lopen en het was 30 graden).

Voor de zekerheid hadden we van tevoren alle 341 foto’s bekeken die restaurantgasten op TripAdvisor hadden gedeeld. Was het niet te chique en opgeprikt voor ons? Konden we ons hier vertonen? En hoe werkt de Italiaanse etiquette eigenlijk?

Een tikje zenuwachtig schuifelden we om iets over half acht La Tortuga binnen. Het restaurantje bleek klein en intiem, de vier of vijf andere stellen praatten op gedempte toon met elkaar. De strakgedekte ronde tafeltjes waren omringd door stoelen met rood fluweel; ook op de muren zat fluweel.

Whoops. Toch best chique.

Ik nam plaats schuin voor een schap met onder meer een Rothschild uit 1986 en een Amarone uit ’93. Vlak na ons kwam een gezelschap binnen dat hier overduidelijk regelmatig kwam, zo uitbundig werden ze begroet, en later op de avond gebeurde dat nog twee keer.

Verderop in de hoek zat een stel waarbij vergeleken we ons een stuk meer op ons gemak voelden – hij droeg een korte broek (!) en sandalen, ze hadden hun zonnebrillen en telefoons op tafel liggen, leken een beetje per ongeluk hier beland en waren alweer weg voor onze eerste gang werd geserveerd.

We kregen de menukaart; na een poosje viel me op dat op die van mij geen prijzen stonden, maar op die van B (de man in het gezelschap) wel. Wat we voor eten zouden gaan betalen wisten we, en dat we bijpassende wijnen wilden óók, maar even twijfelden we daaraan nadat we quasinonchalant door de wijnencyclopedie – het enige juiste woord, zo dik was dat boek – hadden gebladerd. Want ja, hoeveel zou een wijnarrangement hier kosten? Ze zouden dan toch niet het moment aangrijpen om een Barolo van 300 euro te ontkurken? We durfden het natuurlijk niet te vragen, en op een gegeven moment zei B, weet je, we stoppen nu hierover na te denken, we zitten hier nu en we willen dit, yolo.

En zo was het. En góed dat het was.

Om te beginnen: de wijn. Alles lokaal, alles van rondom het Gardameer, en de Lugana waarmee we begonnen was zo briljant dat ik het nog steeds jammer vind dat ik het etiket niet heb onthouden. De wijnglazen waren trouwens zo licht dat je voor je gevoel alleen het gewicht van de drank in je hand had.

Na onze eerste gang (de beste coquilles die ik ooit heb gegeten) kwam tegenover ons een ouder Italiaans echtpaar zitten. ‘Kijk’, fluisterde ik naar B, ‘nu kunnen we een beetje spieken hoe het heurt’. Niet veel later propte de man zijn servet slordig onder z’n kin, later zou hij nog een aantal keer opstaan om te roken of naar de keuken waggelen. So far voor het goede voorbeeld – of misschien betekende dit dat we ons over onze tafelmanieren een stuk minder zorgen hoefden te maken. ;-)

Vijf gangen aten we, het ene gerecht nog beter dan de ander. De spaghetti was zalig (en hé, ook gewoon best tof toch dat je kunt zeggen dat je pasta hebt gegeten in een Italiaans sterrenrestaurant) en mijn hoofdgerecht bestond uit vis en groenten, maar ‘vis met groenten’ zou een grove belediging zijn voor de smaakexplosie die op mijn bord lag. Perfect gegaarde zeebaars, tomaten zo rood, sappig en complex dat ik ze nog steeds bijna kan proeven en ja, jeetje, moet ik nog doorgaan?

Maar wat fine dining-etentjes voor mij toch echt wel afmaakt, is de bediening. Superstrak, en toch ontspannen. Mega-alert, zonder dat je het gevoel hebt dat ze je op de vingers kijken of om de drie minuten aan je tafel staan (maar toen ik na het vierde glas wijn m’n vork van tafel stootte, lag er binnen dertig seconden een nieuwe naast m’n bord). Perfecte timing van de gerechten, altijd netjes eerst de wijn en dan de gang.

Ja, vakmanschap.

Ze zeggen wel eens dat je, om een gelukkig leven te leiden, je geld het beste kunt uitgeven aan ervaringen. Die wijsheid spookt regelmatig door m’n hoofd – en werd deze avond weer eens onderschreven. Want ja, mensen, als je van eten houdt, spaar alsjeblieft voor dit soort dingen, het is het waard, en het zijn de momenten om niet gauw te vergeten.

Laat een reactie achter