Floris (2)

Op de Floris eten we niet zo vaak samen. Niet omdat we dat niet graag doen, hoor; iedereen gaat gewoon meestal z’n eigen gang. Soms ben je toevallig tegelijk met een ander aan het koken, en eet je je maaltijd gezellig samen op. En heel soms eten we wél bewust met z’n allen, meestal als we daarna iets leuks doen of we iets moeten bespreken.

Vandaag was zo’n avond. We moeten binnenkort weer een kijkavond organiseren. Ditmaal ben ik daar niet bij; het is namelijk mijn kamer, die op het spel staat. Want ja, dat lees je goed, B en ik hebben een huis! (Een heel mooi huis, maar daarover later meer.)

We zouden dus samen een soepje brouwen en ik kwam als laatste thuis, de andere vier meiden stonden al gezellig in de keuken te kokkerellen. ‘Wil iemand misschien een glas wijn bij het eten?’, vroeg ik in een poging ook maar wat te doen te hebben, ‘ik heb nog wel wat lekkers liggen.’

O ja, lekker, reageerden L en S enthousiast, maar laten we daar nog éven mee wachten, want… en toen kwam er ineens een fles bubbels tevoorschijn. ‘Ja, we dachten, laten we er dan maar meteen een fijn afscheid van maken’, lachte L, die vrijdag op vakantie gaat (en met wie ik dus plots nog maar een paar dagen in één huis woon!).

Het was al de tweede keer dat ze me zo vrolijk wisten te verrassen, die huisgenootjes van mij. Op de zondag voor mijn 27e verjaardag, we gingen die dag samen naar een festival, toverden ze als verrassing een heerlijke verjaardagsbrunch voor me op het dakterras, inclusief glitters en ballonnen. Daar moest ik meteen aan denken vanavond en dat deed me ook beseffen wat een ontzettend fijne plek het toch is, hier, hoeveel geluk ik heb gehad dat ik hier ruim twee jaar mocht wonen, en hoe goed de Floris me heeft gedaan.

Ik kwam hier natuurlijk nadat ik al jaren een heel huis voor mezelf had (nou ja, samen met T). En toch wist ik na een paar maanden op een tijdelijk plekje dat óók al zo’n warm nest van gezellige meiden was, dat het een goed idee was om weer met huisgenoten te wonen. Een beetje leven om je heen, wat aanspraak in huis, en bovendien een veel minder exorbitant bedrag aan huur betalen elke maand.

Terugblikkend besef ik: de Floris bleek mij veel te kunnen leren. Met de 16 vierkante meter die ik hier bewoon, heb ik in feite een soort tiny house. Dat dwingt tot een zeker minimalisme (alles wat je bezit neemt immers ruimte in, daar heb je al snel last van) en leerde de eeuwige rommelkont in mij ook eindelijk om wat beter m’n zooi meteen achter me op te ruimen.

Het interessante inzicht dat zo’n klein huis je ook geeft, is dat ik niet veel hoef te bezitten om gelukkig te zijn. De afgelopen twee jaar was ik misschien wel gelukkiger en meer in balans dan ooit. Dat betekent niet dat ik geen waarde meer hecht aan spullen – ik ben ontzettend blij met mijn piano en ook het warme dekbed dat ik kocht na een paar koude nachten in dit tochtige huis was erg welkom – maar wel dat ik kritischer ben geworden op wat bezit betekent.

Het is allemaal relatief jongens, en het is echt zonde om je over de kop te werken voor een kast van een huis en twee glimmende auto’s voor de deur.

De Floris leerde mij ook alleen zijn, thuiskomen bij mezelf. Me te kunnen terugtrekken op dit plekje, dat echt van mij is. Niet meer, of in elk geval minder, te vluchten in een overvol sociaal leven. Gewoon hier op dit fijne rode bankje zitten, een boek lezen. Een beetje aanrommelen. Series bingewatchen. Wat pianospelen.

Maar bovenal leerde de Floris mij hoeveel verschil je voor een ander kunt maken, door kleine dingen voor elkaar te doen. Zoals wanneer ik het erg druk had, laat en moe thuiskwam, nog moest eten en een huisgenootje dan zei: ik heb nog een restje, hier, neem maar lekker. Dat iemand alvast de oven je aanzet zodat je pizza er meteen in kan, of ‘s avonds nog even naar de supermarkt gaat, en vraagt of jij nog wat nodig hebt. Of dat je een wasje bent vergeten uit de machine te halen, en dan blijkt dat je huisgenootje ‘m al voor je heeft opgehangen.

Dat je zelf zulke dingen voor je roomies doet en merkt hoe fijn dat voelt, hoe samen, hoe verbonden, zelfs al laat je elkaar verder je eigen weg gaan in het leven.

En ik denk vooral aan die lieve L, die altijd weer creatieve dingen verzint om haar huisgenootjes mee te verrassen – gisteren nog, toen andere-L thuiskwam na een maand reizen, en zij alweer een lief welkom thuis-berichtje en een zak kruidnootjes aan haar deur had gehangen.

Ja, ik bedoel, al die zelfinzichten zijn leuk hoor, maar zonder de meiden die de afgelopen twee jaar dit huis met mij deelden was ik hier nooit zo lang blijven wonen. En ook nu is het niet dat ik hier weg wil, integendeel.

Dat zei ik hen ook vanavond, toen we het glas hieven op de Floris, op ons, want ja, lieve mooie vrouwen, wat voel ik een dankbaarheid, en wat is het goed dat deze plek er is, dat samen wonen zonder verwachtingen, een plek van verbinding en tolerantie, jullie hebben een plekje in mijn hart en ik gun jullie alle moois hier, verder.

En kom vooral nog eens eten aan mijn mooie nieuwe keukentafel.

Blijven

Gisteren was ik op pad met E, een van mijn beste vriendinnetjes. Ik ken haar sinds de brugklas en ze is echt zo iemand van wie ik weet: zij is er, wanneer dan ook, 100 procent. Toen in m’n eindexamenjaar overspannen thuis zat was zij degene die me een hele stapel vol lieve briefjes kwam brengen, als ik op vakantie ben stuur ik altijd minstens één kaartje – naar haar –, in haar PhD-thesis (die ze komende week verdedigt) schreef ze de liefste woorden over me in het dankwoord, en volgend jaar mag ik getuige zijn op haar bruiloft.

Behalve trouwen en promoveren gaat E binnenkort ook nog verhuizen. Zij en haar vriend, pardon verloofde!, hebben een huis gekocht in een klein dorpje in de Achterhoek, waar ze eind dit jaar allebei beginnen aan een baan bij een techbedrijf.

Superleuk natuurlijk en ook een beetje gek, want de afgelopen vijf jaar woonden we maximaal een kwartiertje fietsen bij elkaar vandaan. En omdat verhuizen altijd een hoop werk meebrengt, reden we gisteren op mijn vrije vrijdag samen de A12 af naar haar nieuwe stek om wat muurtjes te witten.

Eenmaal binnen, terwijl ze me opgetogen rondleidde (en ja, inderdaad, wat een heerlijke plek!) kreeg ik ineens een brok in mijn keel. We stonden in de zonnige woonkamer en plots was het alsof het ten volle tot me doordrong: ze gaat weg, ze gaat hier verder. Haar leven is straks in dit huis, op deze plek, 125 kilometer bij me vandaan.

Natuurlijk weet ik ook wel dat de Achterhoek niet het einde van de wereld is, dat Nederland een superklein land is en dat je er zó bent, als je wilt. Bovendien is het ook niet alsof we elkaar nu wekelijks zien (hoewel, de laatste maanden doen we wel ons best ;-)).

Maar vlak nadat ik het verdriet voelde opwellen, besefte ik ook waarom het misschien zo raakt.* Mensen die weggaan, dat is een trigger voor me. Acht jaar geleden nu emigreerde mijn moeder naar Zweden en hoewel ik daar destijds nauwelijks verdrietig om was, realiseerde ik me twee jaar terug in therapie dat dat verdriet er wel degelijk zat. Ik voelde het alleen niet, onbewust rationaliseerde ik het weg, er was geen plek voor, mijn onbewuste wist zich misschien geen raad met de pijn.

Ik voelde me dus op een gekke manier heel blij, gister in die woonkamer, dat de tranen achter mijn ogen prikten en ik buikpijn kreeg. Dat ik dat (na een eerste gevoel van ‘shit ik wil niet huilen’) ook kon zeggen tegen E, dat ik om een knuffel kon vragen, dat ze me troostte. Dat ik ook vandaag door de dag heen probeer contact te maken met mijn emoties: hallo verdriet, waar ben je, kom maar hoor, ik ben bij je, nu is er ruimte en tijd.

Die hele dag gisteren bleef dat gevoel van ruimte bij me. En ook: hoe gelukkig ik me mag prijzen dat ik een vriendin heb als E, die me zo dierbaar is dat ik dit verdriet ervaar. Hoe blij ik was om deze dag samen met haar te doen. Als eerste van haar vriendinnen haar nieuwe huis zien, schilderen en grapjes maken over hoe onze huid eruit begon te zien als een omgekeerde Dalmatiër, tussendoor naar de supermarkt voor broodjes. Dit zijn de dagen jongens, dit zijn de momenten waar het om draait. Samen herinneringen maken.

‘s Avonds in de trein naar huis realiseerde ik me dat dit afscheid – van onze gezamenlijke Utrechtse jaren – en het verdriet misschien meer kan helen dan deze situatie alleen. Misschien werkt het wel zo dat als ik dit nu toelaat, er doorheen ga, ruimte blijf maken, dat er dan ook andere stukjes verdriet-om-verlies zachter worden. Dat ik de pijn die nu opborrelt kan doorvoelen en daarmee ook andere pijn heel, van acht jaar geleden, van twintig jaar geleden, omdat de pijn van nu vrijwel nooit alléén de pijn van nu is.

Ja, dat zou zomaar zo kunnen zijn.
Of niet, en dan nog is het goed, goed dat ik hier nu vanavond zit, zaterdagavond alleen op de bank, dat ik dit schrijf en weer de tranen over mijn wangen laat stromen. Dat ik probeer erbij te blijven.

*Oké en natuurlijk is het ook op zichzelf verdrietig als je beste vriendin gaat verhuizen ;-)

Surfen

Donderdagmiddag, ik zit aan mijn bureau bij Einder. Buiten is het zonniger en warmer dan de afgelopen twee weken, maar ondanks de helderheid mist het in mijn hoofd.

Dit zijn de momenten waarop ik me graag snel en veel laat afleiden. Ik surfte al vaker dan me lief is naar LinkedIn.com (het enige sociale medium dat ik nog heb, in principe bedoeld voor mijn werk) – uiteindelijk heb ik maar gewoon uitgelogd, in het kader van zelfbescherming.

Ik pakte m’n smartphone vaker – met ‘vaker’ bedoel ik eens in de anderhalf uur, wat nog steeds radicaal minder is dan voorheen, maar toch, ik wil het eigenlijk niet en ik kan het niet laten. Uiteindelijk zette ik het dingetje maar uit.

Ik ben moe, realiseer ik me.

Het was ook een drukke week. Drie dagen was ik bij klanten en hoewel dat allemaal leuk en goed was, was het ook wat veel. Ik verzette figuurlijke bergen, liet grote hoeveelheden informatie in en uit mijn hoofd stromen. En hoewel ik dat natuurlijk al jaren doe, merk ik deze week weer een nieuwe functie van afgeleid-zijn door social/whatsapp/smartphone: in al die drukte en veelheid geeft het me adempauze.

Althans, dat lijkt het te doen. Pardoxaal genoeg maakt smartphonestaren (of struinen over blogs, nieuwswebsites of wat dan ook) me juist méér overprikkeld, dus eigenlijk is scrollen het laatste wat ik moet doen als ik gaar ben.

Ik zal dus tijdens de werkdag andere momentjes van pauze en onderbreking moeten vinden. Even naar de keuken lopen, thee zetten en voor me uitstaren terwijl de waterkoker z’n werk doet. Een rondje buiten lopen. Gewoon even voor me uit staren (al vind ik dat enorm lastig, want ik doe niets nuttigs, knaag-knaag). Mindful zijn, mijn adem, lijf en voeten voelen. Hoe doen jullie dat? Ik kreeg van meerdere lezers reacties dat ze ook bezig zijn geweest met afkicken, benieuwd naar jullie ervaringen ermee!

Deze week lees ik op aanraden van een bloglezeres het boek Je hebt de tijd van Paul Loomans. Paul is zenmonnik en heeft een praktische handleiding geschreven voor wat hij Tijdsurfen noemt, het tegenovergestelde van time-management. Niet de tijd willen controleren en vastgrijpen, maar meedeinen op de golven ervan. Met als doel stressvrij werken en leven. Superinteressant, te meer doordat dit boekje (dat overigens ook prachtig is vormgegeven) niet heel abstract/theoretisch spiritueel is, maar juist allerlei directe aanknopingspunten biedt voor je dagelijks leven.

Want ja, natuurlijk kun je naar India gaan en dagenlang zitten mediteren op een berg. Dan word je vast rustiger. Maar het is een stuk uitdagender om hier en nu, in het drukke westerse leven van alledag, die rust te vinden. Grappig genoeg las ik donderdag in de trein naar huis precies het antwoord op mijn vragen hierboven: wat doe je als je merkt dat je concentratie op is – en hoe voorkom je dat dat te snel gebeurt?

Paul introduceert het concept van ‘witjes’; korte pauzemomenten voor je brein, waarin je geest zich kan ontspannen. Dat betekent niet dat je letterlijk niets hoeft te doen – volgens Paul is het voor mensen met een kantoorbaan ideaal om bijvoorbeeld even thee te zetten, een klein afwasje te doen, een blokje om te lopen of wat anders fysieks te doen. Het gaat erom dat je iets doet waarbij je niet bewust hoeft na te denken.

Ik geloof dat ik die witjes komende week maar eens in mijn werkdag ga introduceren.