Skip to content

Maand: maart 2019

Terugkomen

Ja, nog even over dat wegraken bij mezelf. Dat gebeurt weer, het gebeurde weer, ik besefte het toen ik vrijdag de hele dag alleen thuis was en me enorm rusteloos voelde. Almaar die smartphone pakken. Scrollen, checken, refreshen. Niet meer de aandachtspanne om een artikel te lezen, laat staan een boek.

O, en natuurlijk zijn er fases in het leven, ik hoef niet altijd dikke trilogieën te verslinden. Maar wat ik merk als ik zo veel online ben, zo veel op sociale media: mijn focus ligt zo veel bij anderen dat ik mezelf een beetje verlies. Niet dat ik me nu per se bewust loop te vergelijken met hoe anderen hun leven leiden (al doet het vast heus wat, al die meningen); het is subtieler. Ruis is het. Gebabbel, gedoe, afleiding. In principe niets mis mee maar ineens merk ik dat ik

slechter slaap
moeilijker alleen kan zijn
minder focus heb op werk
geen piano speel

en nee, dat is het me niet waard. Toch ingewikkeld, want dit schrijven brengt ook veel goeds. ‘Wat vind je het leukste aan dat bloggen’, vroeg een huisgenootje dat overweegt een blog te starten me zondagavond. Ik dacht even na en concludeerde dat dat toch de verbinding is, het offline contact dat ik krijg door dit online schrijven.

Een collega die m’n stukje leest en er een gesprekje over begint op werk. Een vage kennis met wie ik op een feestje direct een klik voel doordat ‘ie open tegen me durft te zijn – dat ben ik voor zijn gevoel immers ook al geweest, hier. Een goede vriendin die zomaar appt naar aanleiding van iets dat ik schrijf. Mijn vader, met wie ik relatief weinig bespreek maar die op Facebook vaak als eerste m’n stukjes liket.

En ja, natuurlijk is het leuk om afgelopen weken op Facebook allerlei comments te krijgen onder m’n stukjes – om de een of andere reden gebeurt dat daar veel meer dan hier. Maar ik heb nog geen manier gevonden om daar wél te posten (en die reacties te lezen) en mezelf toch te wapenen tegen het meegezogen-worden in die afleidingmachine.

Het enige dat ik kan doen is weer hallo tegen mezelf zeggen. Terugkomen. Voelen, ook al voelt (haha) dat in-mijn-hoofd-zitten alweer zo vertrouwd. Dus vrijdag gooide ik halverwege de middag alle social-apps weer van mijn telefoon. Uit de kast pakte ik een blaadje, lichtgeel, daar scheurde ik een strook vanaf en ik schreef op: verankeren in het moment.

Want weet je, eigenlijk is hier alles dat ik nodig heb.

1 reactie

Kriebel

In alle eerlijkheid: ik vind het nog niet zo makkelijk hoor, bijna elke dag een stukje tikken. O Suusie, vraag je je af, waarom doe je jezelf dat dan aan? Simpel: ik wil schrijven. Ik wil de routine terug, groeien. En het mooie is dat ik nu, na een week of vier, inderdaad merk dat dat lukt.

Nee, natuurlijk zijn nog niet alle blogs even scherp. Hoewel ik ze heus een paar keer nalees, zie ik de volgende dag vaak alweer dingen die ik anders had willen doen. Maar ik heb besloten m’n perfectionisme opzij te zetten en gewoon te schrijven. Te schrijven én te plaatsen. Ik moet dan denken aan woorden die een vriendin ooit zei: pas op dat je jezelf niet zó in de weg zit, dat mensen die eigenlijk minder goed zijn je gaan inhalen – omdat ze minder kritisch zijn, meer durven en vaker oefenen.

Dóór dus. En zowaar, het begint me weer te overvallen. Op de fiets of in de trein, of gewoon terwijl ik in een dagelijkse situatie beland: de observatieblik. Het ‘hé-hier-kan-ik-over-schrijven’-kriebeltje. Dan is het of de woorden zich vanzelf vormen in m’n hoofd en eigenlijk moet ik dan meteen even pen en papier (of smartphone) pakken, die zinnen noteren voor ze vervliegen.

Kijk, díe kriebel wilde ik wakker maken. Daar heb je dus helemaal geen dure schrijfretraites of ontwaaksessies voor nodig. Dat kun je gewoon doen, hier en nu. Simpelweg door het te gaan doen. (Geldt overigens niet alleen voor schrijven, Des had daar een heel mooi stukje over.)

Soms heb ik zelfs al wat geschreven maar zijn er woorden over, meer woorden die eruit willen. Kortom, het begint te borrelen, te vloeien en dat was precies de bedoeling. Immers, om er maar weer een Stephen King-quote in te gooien: amateurs just sit and wait for inspiration, the rest of us just get up and go to work.

Aan het werk dus. Dan maar mét die spookjes in m’n hoofd. Misschien ken je dat ‘zitten mensen hier wel op te wachten’-gevoel, het ‘ik kan ook best een stukje per week maken’-gefluister (dat wordt er uiteindelijk géén, leert de ervaring), die gedachten in de categorie ‘het laatste blogje had minder likes dan dat ervoor, was het dan minder goed?’

Ja, want dat dan toch even: één ding aan dit nieuwe schrijfritme bevalt me minder goed. Bij wijze van experiment plaatste ik afgelopen vier weken m’n stukjes direct door op Facebook. Dat leverde inderdaad een stuk meer lezers op en laten we eerlijk zijn, elke schrijver wil gelezen worden. Wat het echter óók meebracht, was onrust. Continu-Facebook-checken. (En dan ook meteen Twitter. En Instagram. En LinkedIn.) Socialmediaverslaving ligt al snel op de loer en pas toen ik dit weekend drie dagen vrij was, besefte ik wat dat met me doet: ik raak weg bij mezelf.

Dus nee, weer even van de socials af. Dan maar wat minder lezers – misschien is het net als met vrienden, de mensen die je echt om je heen wilt weten je toch wel te vinden. Ga ik nu mooi weer verder met wat ik in dit leven wil doen: gehoor geven aan die kriebel.

Laat een reactie achter

Bruggetje

Tussen Veenendaal en Utrecht stond de trein plots stil. Links en rechts weilanden, coupé vol forenzen. Ik sloeg er nauwelijks acht op – een sein staat wel vaker op rood – en ging verder met het mailtje dat ik aan het typen was. Na tien minuten, reizigers begonnen onrustig om zich heen te kijken, klonk de machinist door de intercom. ‘De trein vóór ons heeft een aanrijding met een voertuig. We weten nog niet of we verder kunnen.’
 
Twintig minuten later was de intercity nog geen meter opgeschoten. Ik hoorde mensen ‘schat-ik-ben-wat-later’-telefoontjes plegen en uiteindelijk, het liep tegen zessen, was daar opnieuw de conducteur: helaas, we gingen terug naar Ede en Arnhem. Reizigers naar Utrecht konden het beste met het boemeltje via Amersfoort. Plus anderhalf uur, zag ik in de NS-app.
 
Toen gebeurde er wat moois. ‘Zeg’, stootte het meisje tegenover mij me aan, ‘ik heb een Greenwheels gehuurd in Ede en rijd naar Amsterdam. Je mag mee.’ Tof!, zei ik, maar ik moet naar Utrecht, ik weet niet of dat handig is? ‘O, ik heb de auto in Ede staan en rijd naar Driebergen-Zeist’, zei een andere vrouw, ‘stap maar in hoor, zij – ze wees op de vrouw tegenover haar – gaat al mee.’ De jongen tegenover haar kon er ook nog bij.
 
Tegen de tijd dat de trein het station binnenreed, wist iedereen bij welk groepje gestrande reizigers ‘ie hoorde. In een slinger liep mijn eigen bij elkaar geharkte gezelschap het perron af. We waren al bij de trap toen een klein meisje me aantikte. ‘Kan ik er ook nog bij?’
 
Zo belandde ik met Mariëlle, Jade, Saskia en Luuk in een dikke Range Rover. ‘Ik ben autogek’, verklaarde Mariëlle. ‘En deze vind ik de allermooiste die er bestaan. Helaas worden ze niet meer gemaakt.’
 
Grappig toch, hoe je naar iedereen wel een bruggetje kunt bouwen. Saskia werkte bij het CITO, vertelde ze, het was haar baan om geschiedenisexamens in elkaar te zetten – en laat ik dat nu net hebben gestudeerd. Jade op haar beurt bleek coassistent, ‘bijna klaar’, ze wilde dermatoloog worden en ik dacht aan mijn B z’n verhalen over het medische vak. Luuk en Mariëlle hadden het voorin nog steeds over Range Rovers – niet mijn ding, maar met een vader die graag aan oldtimes sleutelt kan ik me ook bij die passie wel iets voorstellen.
 
Het werd kortom nog best gezellig. Goed, al snel belandden we in dikke file dus qua tijd had ik waarschijnlijk evengoed via Amersfoort kunnen reizen. Twee kilometer voor de afslag zuchtte Mariëlle dat ze haar eetafspraak beter had kunnen cancellen en ik vroeg me in stilte af of ze een beetje spijt had van haar barmhartige actie.
 
Dus Mariëlle, je leest dit vast niet maar áls: nogmaals bedankt voor de lift in die stoere bak van je. Je deed meer dan een lift geven; je trok mensen van hun forenzeneilandje. We bouwden bruggetjes van saamhorigheid, al was het maar even, oefenden elkaar te helpen en te láten helpen. Voelden dat we elkaar nodig hebben, als mensen.
 
Hoe moe en hongerig ook; daar kom ik met liefde wat later voor thuis.
1 reactie