Skip to content

Maand: februari 2019

En rout(in)e

Thuiswerken, dat vind ik heerlijk. Vooruit, ik zou het niet dagelijks willen doen. Bij Einder bruist het, ik word blij van de creativiteit van collega’s, snelle brainstormsessies brengen me verder dan uren denkwerk alleen en samen lunchen is gezelliger dan tikkend achter m’n laptop een boterham wegwerken.

En hoe lekker het ook is om te werken in pyjama, van mijn tijd als zzp-schrijver weet ik nog dat je je van té vaak pas om elf uur douchen best lui en ranzig gaat voelen. Eén dag in de week, dat is perfect. Scheelt sowieso tweeënhalf uur forenzen en als het zo uitkomt, draai ik tussendoor een wasje of loop even naar Appie voor verse lunchbroodjes.

Belangrijker: thuis kan ik meters maken. Op woensdag – thuiswerkdag – ligt vaak een stapeltje achterstallig werk op me te wachten. Ik begin vroeg en raak veel sneller in diepe concentratie doordat ik niet steeds in overlegjes word gesleept. Regelmatig sta ik versteld van wat ik in een paar uur krijg gedaan.

Pas sinds ik deze stukjes tik, dient zich een nadeel van thuiswerken aan: wanneer pak ik ruimte om te schrijven?

Deze schrijfsels maak ik doorgaans in de trein – daar zit ik immers toch. Oké, natuurlijk moet ik me er ‘s morgens een beetje toe zetten m’n laptop open te klappen en niet lekker een uurtje uit het raam te staren met Indian Askin (laatste muziekontdekking) op m’n oren. En oké, als ik om half zes terug reis, ben ik meestal gaar en vloeien de woorden niet vanzelf. Maar doorgaans red ik het precies, dit stukje: ‘s ochtends een ruwe versie en ‘s avonds polijsten. In de ideale situatie laat ik de woorden een nachtje rijpen. Zo loop ik altijd één verhaaltje op jullie voor.

Op thuiswerkdag is dit allemaal anders. Dan lig ik graag tot half acht in bed, en rol van daaruit direct naar de ontbijt-annex-werktafel. Met een pot thee, twee boterhammetjes en wat fruit werk ik m’n mail weg en maak een lijstje voor de dag. Om acht uur starten heeft als voordeel dat ik rond half vijf klaar ben.

Maar ja, zo schiet dat schrijfuurtje erbij in. Deze week werkte ik ook nog thuis op dónderdag (ja, niks ‘reservestukje’, deze woorden zijn kakelvers!), morgen ben ik vrij dus je snapt, weekendgevoel kriebelde toen ik m’n laatste taak afstreepte.

Pas nu – na achten, avondeten en glas wijn achter de kiezen – kom ik aan schrijven toe. Hoewel, waar eindigt werk en begint privé wanneer schrijven als rode draad door beide loopt?

Ach, in tegenstelling tot thuiswerken doe ik schrijven wél graag elke dag. Kan dat niet in de trein, dan bij voorkeur in pyjama.

Laat een reactie achter

Winterslaap

Na vliegschaamte – schuldbewust intercontinentale reisjes boeken – kennen we nu ook zonschaamte. Die term las ik vandaag in de AD-column van Nynke de Jong. In plaats van jubelig blij te zijn over het vroege voorjaar, geeft de lentebries je een ongemakkelijk gevoel. Shit, dit hoort niet. Het gaat niet goed met de aarde.

Zonschaamte dus. Ook ik heb er last van. Of: ik vínd dat ik er last van zou moeten hebben. Het is een ‘eigenlijk-wil-ik-hier-niet-van-genieten’-gevoel dat je ook kunt hebben bij een sappige hamburger, flirten met een foute man, hard lachen om racistische grappen, de hogere rente bij de bank die in wapens handelt, goedkope vliegtickets, kleding van de Primark. Er knaagt iets, je wilt het niet supporten, maar je geniet er óók van.

Want laten we eerlijk zijn: ik vind het heerlijk, die lente in de lucht. Eind februari is het, maar zodra je buiten bent lijkt het april. De hemel is al dagen onafgebroken strakblauw, in de trein praten mensen over dagjes strand (ja, echt) en hoewel ik ‘s morgens vroeg nog blij ben met m’n winterjas, vraag ik me op de fiets naar huis steevast af waarom ik dat ding überhaupt draag.

En toch. Knaag knaag.

Ik had het ook vorige zomer, toen het twee maanden lang vierendertig graden was. Kijk ik foto’s terug van mijn verjaardagsfeestje in het park, dan schrik ik een beetje van het bruine, dorre gras. Er viel zo weinig regen (géén) dat experts begonnen te reppen van watertekort. O jongens, dacht ik, waarom is iedereen zo blij met deze zomer? De wereld gaat kapot.

Tegelijkertijd bewaar ik geweldige herinneringen aan die verjaardag, waarop we tot laat konden frisbeeën met bikinitop en kort broekje aan. Was ik superdankbaar voor het festivalweekend eind juni waarin het dertig graden was. Voelde ik me de koning te rijk, zo elke dag naar werk in een luchtig zomerjurkje. Ik ben een zomerkind, dit is mijn lievelingsweer.

En dan lees ik Tweets van mensen – heus niet alleen klimaatontkenners – die zeggen: joh, het is in februari wel vaker warm geweest, vorig jaar was het juist koud, dit zegt nog niets over het klimaat. Voel ik me een beetje gerustgesteld. En denk ik: ach, wat zal het ook, ik kan in m’n eentje tegen klimaatverandering toch weinig beginnen. Ga ik lekker de zon in, die is er nu toch. Jubel ik om die vroege lente.

Eet ik weer een hamburger. Boek ik nog een vliegticket. Sus ik weer in slaap.

Tot ik wakker schrik.
Beschaamd.

1 reactie

Heli

Soms kun je je zó druk maken om dingen die achteraf totaal geen punt blijken. Vooral op m’n werk heb ik daar een handje van. Terwijl, laten we eerlijk zijn: als je projecten runt, gaat nu eenmaal af en toe iets mis. Zeker als je mensen aanstuurt en niet alles zelf in de hand hebt.

Bovendien: zelden zijn die ‘problemen’ dingen waar ik een maand later nog wakker van lig.

Maar ja, dat kan ik leuk beweren, op stressmomenten is Relativerende Suus ver te zoeken. Toen vorige week een paar dingen niet lekker liepen – ik schreef er al over – zat ik de rest van de dag met buikpijn achter m’n bureau. Tegen de tijd dat ik thuis de voordeur opendraaide, kon ik m’n zelfvertrouwen in scherven van de vloer rapen.

Op die dagen zou het fijn zijn als ik een helikopter had. Even opstijgen en van een afstandje bekijken: hoe groot en belangrijk is dit echt? Staan er levens of gigantische geldbedragen op het spel? En zegt deze uitglijder iets over mijn kwaliteiten, of valt het in de categorie ‘shit die af en toe gebeurt’?

Gelukkig lukt dat uitzoomen steeds vaker – ook zonder helikopter. Zo was ik afgelopen weekend met een vriendin op weg naar de Achterhoek, waar we samen een nachtje zouden doorbrengen. Ons hotel had ik geboekt met een Bongo-bon die al een tijdje in m’n la lag.

Pas halverwege de A1 naar het oosten schoot door m’n hoofd: die Bongo-bon ligt nog stééds in de la. Naast m’n paspoort, trouwens – moet je bij hotels niet altijd een identiteitsbewijs overdragen?

(Misschien denk jij nu: eh ja, dus? Dat is zacht gezegd niet mijn natuurlijke reactie in dit soort gevallen.)

Dit alles bedacht ik terwijl we in gesprek waren, wat me de kans gaf weer wat te kalmeren voor ik het mogelijk nijpende punt ter sprake bracht. ‘Maar weet je’, zei ik, ook deels mezelf overtuigend, ‘Desnoods schrijven ze het bedrag af van m’n creditcard en stuur ik de bon achteraf op.’

Eenmaal bij de incheckbalie dwong ik mezelf om niet met zorgelijke blik aan te kondigen ‘dat ik helaas de bon vergeten ben’. In plaats daarvan noemde ik m’n achternaam, overhandigde m’n rijbewijs (dat mag blijkbaar ook) en wachtte tot de receptioniste ons de kamersleutel gaf. ‘Trouwens’, zei ik toen ze ons een fijn verblijf toewenste, ‘ik heb de papieren bon thuis laten liggen maar dat is vast geen punt?’

Dat was het inderdaad niet. En toen de ober die middag bij onze high tea – deel van het bongo-arrangement – wél naar de bon vroeg, verwezen we hem luchtig naar de receptie. Vond ‘ie prima. Trouwens, wat dat gerommel op werk betreft: afgaande op hun reacties tijdens een meeting vandaag, is de betreffende klant over de grote linie gewoon tevreden.

Soms – misschien wel vaak –  is het maar net hoe groot en zwaar je de dingen zelf maakt.

Laat een reactie achter