Skip to content

Maand: februari 2019

Pees

‘Til je tenen eens op’, zei de orthopeed. Hij stond achter me en bestudeerde nauwkeurig mijn gewiebel op m’n hielen. Daarna moest ik gaan zitten op de onderzoeksbank. Hij voelde en sjorde, bewoog m’n tenen op en neer en drukte op allerlei plekjes rond m’n enkel.

‘Doet dit pijn?’
‘Neuh.’
‘En dit?’
‘Oef, já!’

Het probleem zit in je pees, concludeerde hij na vijf minuten. ‘Een ontsteking. Die pees loopt van je grote teen via de binnenkant van je enkel naar de buitenzijde van je kuit. Bij jou is ‘ie erg kort.’

Hardlopen, dat ging drie jaar lang probleemloos. Nou ja, als ik echt té hard of té ver ging, wilde m’n oude scheenblessure nog wel eens opspelen. Paar dagen rust dan en hup, daar kon ik weer. Ik liep sneller en verder dan ooit; vier halve marathons, een berg 5- en 10-kilometerwedstrijden en vooral heel veel heerlijke rondjes door het bos en langs het water.

Tot ik afgelopen zomer in Frankrijk na een paar heuveltrainingen iets voelde in mijn rechterenkel. Hm, besloot ik toen het eenmaal thuis bleef zeuren; toch maar even langs de fyiso. Die dacht aan overbelaste enkelbanden, ‘je mag wel hardlopen maar forceer het niet’. Tja, en toen gingen die Tilburg Ten Miles zó lekker, dat ik misschien een béétje negeerde dat ik m’n rechtervoet de laatste tien kilometer best voelde. Ach, zó veel pijn deed het niet en die twee dagen strompelend op kantoor waren m’n droomtijd van 1.25 wel waard, vond ik.

Inmiddels ben ik daar niet meer zo zeker van. Terwijl ik in het najaar steeds minder kilometers rende gingen de rondjes méér pijn doen, tot ik nauwelijks drie minuten kon lopen zonder steken te voelen – en dan niet in m’n zij. Tegen de tijd dat ik bij de specialist zat, moest ik zelfs een uurtje fitness bekopen met een paar dagen pijn.

‘FHL-tendinopathie bij functionele hallux’, krabbelde de orthopeed in doktershandschrift op een A4’tje. Vrij vertaald: hardlopen, schrijf dat voorlopig maar op je buik.

Laat een reactie achter

Voorbode

Even hoor: toen ik vanmorgen om half acht mijn fiets van het slot haalde en door de stille straten richting station fietste, was het al licht. Dat mag futiel klinken, laat het tot je doordringen. Vanaf vandaag zitten we aan de goede kant van het jaar. Oké, het is nog altijd februari, daar veranderen die paar zachte dagen afgelopen weekend niets aan. (Maar hé, ik zat op een terras, mensen! Buiten! In de zon! Zonder jas!)

Nu duurt het niet lang meer, of ik word ‘s morgens wakker van het zonlicht dat langs de randjes van m’n rolgordijn naar binnen kiert. M’n dagelijkse trein naar Nijmegen is voorlopig geen donkere tunnel. En de frequentie waarmee HEMA me nieuwe fietsverlichting verkoopt (‘losse lampjes mogen ook’, gonst een tien jaar oude overheidscampagne dan altijd door m’n hoofd) daalt drastisch. Man, wat word ik vrolijk van die gedachte. Zomeravonden in het park, flesje wijn, korte broek en kietelend gras tussen je tenen – voel je het al?

Ook de daglichtlamp die ik eind januari aanschafte als wapen tegen winterdip, kan over niet al te lange tijd weer in de kast. Al toen het tabletvormige apparaatje zaterdagochtend op de ontbijttafel stond, vielen de tienduizend lux vrijwel weg tussen het licht waar de woonkamer in baadde. Hallo, zon.

Vooruit, het moet gezegd: eenmaal op de fiets had ik tóch handschoenen aan en toen ik naar spoor 19 liep, schalde door de tunnel dat de sprinter naar Maarssen en Breukelen wegens gladde sporen niet reed. Oké winter, 1-1. Maar dat ochtendlicht neem je me voorlopig niet af.

1 reactie

Floris

Ruim anderhalf jaar alweer woon ik met vijf vrouwen in één huis. Had je me dat twee jaar terug verteld, dan was ik in lachen uitgebarsten. Weer badkamer en keuken delen, als ware ik studentje? Leven op zestien vierkante meter? No way. Zo klein woonde ik niet eens toen ik daadwerkelijk studeerde.

Maar ja, de huurprijzen in Utrecht rezen anderhalf jaar geleden óók al de pan uit, en bovendien leek een studio me na drie jaar samenwonen best stil. Nu woon ik dus ‘op de Floris’, zoals we dat hier noemen – in navolging van de huisbaas, een gepensioneerde Brabander wier dochter twintig jaar terug hier studeerde. Mijn huisgenootjes zijn gemiddeld 27 en werken al een tijdje, net als ik.

En eerlijk? Het is fantastisch. Natuurlijk vis ik soms een kluwen haren uit het doucheputje die donkerder óf lichter is dan mijn eigen lokken, en eens in de zoveel tijd gaat over de groepsapp een geërgerd berichtje over vieze pannen of een fruitvliegjesplaag. Maar ach, als je met vijf drukke yuppen in een huis woont, kun je twee dingen doen: tolerantie opbouwen of vertrekken.

Bovendien: we doen het goed samen, vind ik. Fijn om na een werkdag even te kletsen in de keuken – of je terug te trekken in je kamer, net zo oké. Soms kom je hongerig thuis en blijkt je huisgenootje een portie avondeten over te hebben. Als je geluk hebt, heeft iemand zelfs taart gebakken, ‘pak gerust’ – en heb je zelf zin om iets lekkers te maken, dan hoef je niet te vrezen dat je overhoudt. En hoe fijn om een besteld pakketje gewoon te vinden voor je kamerdeur! Voornaamste nadeel is dat in m’n mini-huisje geen fatsoenlijk tweepersoonsbed past – samen slapen op 1.20 meter is in kleffe zomernachten bést krap – maar daar kunnen m’n medebewoonsters ook niets aan doen.

Nee, het zijn vooral mensen boven de veertig die vragen ‘of ik onderhand niet groter wil wonen’. Snap ik wel, als je bij ons binnenloopt lijkt het net een studentenhuis en ik word dit jaar toch 28. Maar in tegenstelling tot de gemiddelde studentenwoning is het bij ons om tien uur ‘s avonds stil. Als ik om half zeven opsta brandt vaak al licht in de gang, de vuilnisbak puilt nooit uit en het bad wordt wekelijks geschrobd.

Dat we écht niet studentikoos meer zijn, bleek onlangs toen wasmachine én droger het hadden begeven. De huisbaas – die eerder de afzuigkap ‘repareerde’ door het ding eraf te slopen en op een dag de matig werkende oven meenam, ons verbaasd achterlatend met gat onder het fornuis – kwam een middag sleutelen. Dat leek te helpen; ‘die troep uit de buizen achter de wasmachine, té goor’, zou m’n huisgenootje die avond verklaren.

Helaas was het snel weer raak en toen hij het witgoed kwam ophalen, vreesden we herhaling van de oven-deceptie (wij hoopten op vervanging, hij had het ding ‘opgelapt’ en sindsdien duurt het een uur voor ‘ie fatsoenlijk heet is). We vielen dus van onze stoel toen hij dezelfde avond nog meldde dat ‘ie nieuw spul had besteld, ‘Coolblue bezorgt deze week.’ De held!

Zodra de witte wonderkastjes twee dagen later stonden te glimmen, verzamelden wij vijven verrukt onze opgespaarde was en ik bedacht: we mogen dan nog op kamers wonen – dit enthousiasme had op de Huishoudbeurs niet misstaan.

Laat een reactie achter