All eyes on me

Van nature sta ik niet graag in de spotlights. Vooruit, na drie glazen wijn kan ik best het hoogste woord hebben, en dankzij m’n adviseurswerk bij Einder heb ik geleerd dat het soms zelfs léuk is om voor een groep te spreken. Maar hoewel ik (zoals bijna alle meisjes) vroeger best eens droomde over actrice, presentatrice of model worden, en ik als 15-jarige samen met vriendinnetje S. regelmatig voor-de-lol-fotoshoots deed op onze meisjeskamers, is de showbizzwereld niet voor mij weggelegd. Althans, niet vóór de camera’s. Laat mij maar lekker schrijven, concepten bedenken en achter de schermen m’n ding doen. Dat ik vloggen op Instagram vooral zie als oefening om me minder awkward te voelen op beeld, zegt genoeg. ;-)

Dus toen fotograaf Duncan de Fey me deze zomer vroeg model voor hem te staan tijdens een vrije shoot, zou je verwachten dat mijn eerste reactie AAAH OMG HELP zou zijn. En misschien waren het de twee glazen wijn, daar op de jaarlijkse borrel van Radboud Magazine, maar ik zei enthousiast en volmondig JA. Oké, ik was ook gevleid natuurlijk. Ik bedoel: ik, model? Ik wist dat m’n knappe collega-Eindermeisje M. een keer model voor Duncan had gestaan. Ik weet ook dat ik best een mooi figuur heb en ben meestal ook blij met m’n hoofd, maar de 90-60-90 maten haal ik niet vind mezelf nou niet echt een doorsnee modellenkoppie hebben.

Nou, die shoot was gisteren en o man, wat was het leuk. Ik vond het wel wat hoor. Opgemaakt worden door een professionele – en ook nog eens supergezellige – visagiste, daarna aangekleed door de styliste en hup, in de auto op weg naar mooie plekken om foto’s te maken.

We gingen naar de Ooijpolder, waar het prachtig was en de herfstwind zo kil dat we een routine bouwden van jas uit – foto’s maken – jas weer aan, repeat. Mooi, zei Duncan, ja perfect, precies deze blik, oké en nu nog een keer die kant op kijken, ja, kijk maar arrogant hoor, ja goed, heel goed, denk maar dat ik Bart ben en ik geen ontbijt voor je heb gemaakt, het interesseert je gewoon helemaal niets dat je op de foto moet, ja, zo.

Toen het ging regenen, verplaatsten we naar het industriële terrein van de oude Honigfabriek, aan de rand van Nijmegen. Ik trok er aan gordijnen, maakte sprongen op muurtjes en deed oude voetbalschoenen aan terwijl ik toevallig-nonchalant in de camera keek. O ja, en ik was ook nog de vuurheks die op blote voeten lucifers afstak in de lift. Tussendoor hadden Duncan, ik en styliste Christine vooral veel lol. Wat relaxed zeg, als mensen je zo op je gemak kunnen stellen, gewoon door er te zijn. En afgaande op wat ik vanaf Duncans camerascherm heb gezien, zijn de beelden inderdaad HEEL VET geworden.

Wordt vervolgd, dus. Ik kan in elk geval weer iets van m’n bucket list afstrepen. Sterker nog: dit wil ik best nog eens doen. Want hé, misschien zijn die spotlights zo vervelend nog niet.

Insta

Bij Annemerel las ik vandaag een berichtje over ‘Insta-moeheid’, en ik ben zo blij dat ze dit schreef. En vooral ook dat ze eindigde met de boodschap: ‘ik ga het weer gewoon lekker doen op de manier waarop in zin heb’. In het kort betekent dat: niet meer dagelijks op hetzelfde tijdstip posten om het algoritme van Instagram te pleasen, niet meer onder alle foto’s een reactie plaatsen of strategisch mensen gaan volgen in de hoop zelf meer volgers te krijgen, niet meer al die trucjes. Gewoon, leven – en posten – in het moment.

Ja, dacht ik, oh hell yes, goed bezig An.

Zelf gooide ik deze week Instagram weer eens van mijn telefoon. O, ja, ik weet het, een paar weken terug schreef ik nog vrolijk dat ik voor het eerst een filmpje plaatste op het kanaal. Het zijn vlagen, fasen waarin ik veel deel en tijden waarin ik juist behoefte voel me terug te trekken, weg van al die ruis. Ik kan het gewoon niet zo goed doseren. Staat die app op mijn smartphone, dan zit ik een groot gedeelte van de treinreis te scrollen. Check ik elke tien (oké, vijf) minuten m’n feed als ik, zoals vandaag, een dagje rustig thuis ben.

Laat ik de onrust toe in m’n leven.

Deze week sprak ik weer iemand die haar Facebookaccount heeft verwijderd. “Ik wilde mijn eigen nieuwsgierigheid terugvinden”, zei ze. Herkenbaar, want weet je nog wat ik begin dit jaar schreef, over dat ik Facebookloos was en ineens veel meer boeken las? Zolang ik mezelf blijf voeden met wat maar op me af komt, blijf ik ‘vol’. En zolang m’n dagen gevuld blijven met scrollen, ontstaat nooit de leegte die nodig is voor inspiratie. Voor nieuwe gedachten. Voor goed schrijfwerk.

Tegelijkertijd bracht Instagram me afgelopen tijd óók veel. Ik had mooie gesprekken met mensen die ik ‘van online’ ken, raakte geïnspireerd door verhaaltjes die zij deelden. Ja, dat mis je dus, als je (deels) offline gaat. Steeds is het een afweging, mijn leven gaat in golfjes. Tijden van feest, tijden van kalmte. Weekenden van uren Sims 3 in een rommelige kamer, weekenden van lezen, pianospelen en elke week de planken afstoffen.

En op dit moment zit ik weer in, zoals B dat treffend noemde, een “meditatie-golfje”. Gisteren zette ik de mp3’tjes met zelfcompassie-oefeningen op mijn iPhone en ik geloof dat ik niet eerder elke dag zo veel zin had om te mediteren. Andere dingen die me bezighouden:

  • Neoklassieke muziek. Ludovico Einaudi, natuurlijk, maar ook Olafúr Arnalds, Nils Frahm, Joep Beving, Dustin O’Halloran en de Grandbrothers – ik krijg er (bijna) geen genoeg van. Oké, natuurlijk aangevuld met een gezonde dosis prog-rock. Ik luisterde deze week wat oudere albums van Porcupine Tree, toch ook best lekker.
  • Langs de oevers van de Yangtze. De docu-serie van Ruben Terlouw is natuurlijk al 2,5 jaar oud en ik geloof dat minstens vijf mensen ‘m aan me hebben aangeraden (hoi mam!). Soms duurt het een tijdje voor iets je tijd is. Ineens vind ik, laatste weken, de tijd, zin en rust om de afleveringen te kijken. En ja hoi, spuit elf: wat boeiend dit! Extra leuk vind ik om te merken dat ik flarden van het Chinees kan verstaan. Al ben ik toch ook erg blij dat de gesprekken die Ruben met Chinezen voert, ondertiteld zijn. ;-)
  • Leesvoer. De nieuwste Psychologie Magazine zat vol interessante stukken – over het gedachtegoed van Brené Brown, over hoe je geld kunt omzetten in geluk en over de vier typen bioritmen die mensen hebben (nooit gedacht dat ik een beer ben, haha). O ja, en het boek Verslaafd aan liefde van Jan Geurtz vind ik ook intrigerend. Een jaar geleden probeerde ik er al in te beginnen, toen pakte het me niet en nu vlieg ik er doorheen. Bijna uit.
  • Vriendschap. Bij-effect van therapie én dat boek van Jan Geurtz, is dat ik me laatste tijd hyper-bewust ben van mijn relatie tot de mensen om me heen. En vooral: hoe die relaties op dieper niveau in elkaar steken, wat we bij elkaar ‘halen’/triggeren/nodig hebben, de wederzijdse afhankelijkheid en hoe ik die kan doorbreken. Dit klinkt allemaal vrij vaag, dat besef ik, en ik vrees dat een blogje te kort is om m’n gedachten hierover uit de doeken te doen. Uiteindelijk komt het neer op: dichter bij mezelf komen én blijven, ook – juist – als ik met anderen ben.

Zo, en nu is dit blogje alwéér zevenhonderd woorden. Oeps. Ik neem me vaak voor eens wat ‘strakkere’ stukjes te schrijven, maximaal 300 woorden en sterk column-achtig, ook om m’n schrijfvaardigheid wat te onderhouden… Maar het gevolg van die eis is dat ik me zo bekneld ga voelen, dat ik uiteindelijk niet meer schrijf hier op Suushi. Dus hé, het zijn maar schetsen op dit blog, en dat mag ook. Voor wie het lezen wil.

 

 

Hartje Utrecht in de herfst

Ramen open, najaarswind – zacht als lentebries. Zon, zon, zo’n zonovergoten oktoberdag waarop gedachten uit hun voegen barsten, ineens alles kan, en dit huis zo thuis voelt, dat ik nooit meer iets anders zou willen.

Wow, ja. Wat een fietstochtje van een kwartier door de Utrechtse binnenstad met een mens kan doen. Vanmorgen werd ik alleen wakker in B’s bed (hij heeft weekenddienst en moest er al om zes uur uit) en besloot de ochtend te beginnen met tien minuten mediteren. Dat bleek een goed idee, ik merkte erdoor hoe onrustig mijn hoofd was.

Na een ontbijt van croissantjes fietste ik naar huis, door die prachtige stad. Ik ben meerdere keren afgestapt om een foto te maken. Ik bedoel, kijk nou!



Soms denk ik: het is tijd om naar Nijmegen te verhuizen. Die tweeënhalf uur per (werk)dag reizen kost zo veel tijd en energie, en hoe heerlijk zou het zijn om gewoon op de fiets naar Einder te kunnen. En Nijmegen is óók een fijne stad, ik woonde er vijf jaar met veel plezier. Maar god, wat ben ik van Utrecht gaan houden. Hier weggaan, nu? Ik moet er niet aan denken. Nee, nog niet.

Wijnclub XIX: Wijnen langs de Rijn

Zoals je misschien weet, heb ik twee jaar geleden met vriendinnetje S. – m’n partner-in-crime op het gebied van goed eten en drinken – een wijnclub opgericht. Elke zes weken komen we met een groep van zeven a tien man bij elkaar. Twee mensen bedenken een thema en kopen wijn, iedereen legt twaalf euro in en we hangen gezellig een avond de wijnsnob uit.

Ontzettend leuk én leerzaam. We zijn nu bijna twintig edities verder en ik durf wel te beweren dat ik in die tijd een stukje wijn-wijzer ben geworden. Bovendien hebben m’n clubmaatjes en ik de grootste lol tijdens die proefavonden, alleen al met uitvogelen hoe we de wijn zouden omschrijven. Wijn kan immers smaken naar toast, bloemetjes, honing of dieprood fruit, maar er zit er ook wel eens een fles tussen die smaakt naar asbak of die aroma’s van benzine heeft.

Als wijn-nerd maak ik tijdens de avonden natuurlijk aantekeningen – en noteer daarbij vooral de hilarische doch rake opmerkingen van m’n tafelpartners. Dus waarom niet onze bevindingen delen met jullie? Weet jij ook weer welke wijn je moet inslaan en welke je beter kunt laten staan.

O ja, DISCLAIMER: ik ben/we zijn geen professionele proevers. Kan dus gebeuren dat ik af en toe verkeerde termen gebruik in deze wijnblogs. Of een wijn heel ongebruikelijk omschrijf. We zijn aan het leren! Verbeter me gerust. ;-)

Wijnen langs de Rijn
Oké, maar die Rijn-wijnen dus. Vorige week organiseerden F en M editie XIX. M riep al langer dat we echt eens Nederlandse wijn (!) moesten proberen, en dus nam het duo ons mee op een avondje wijnproeven langs de Rijn. Nou ja, gewoon vanuit een Utrechtse keukentafel dan.

Onze opdracht was om de zes wijnen uit vijf wijngebieden – Elzas, Pfalz, Rheinhessen, Middenrijn en Nederland – te plaatsen in het juiste gebied. Ik moet zeggen, dat ging ons best redelijk af! Al had geloof ik niemand verwacht dat die laatste rode knaller in – of all places – Doetinchem was gemaakt…

Dit proefden we en dit vonden we ervan:

Wijn 1 – NEDERLAND: Betuws Wijndomein LingeParel rosé, 12 euro
(o.a. te koop bij Kwestie van Smaak in Utrecht)

Weinig geur. Smaak vrij zoet en vlak. “Ik heb het idee dat ik limonade aan het drinken ben.” Framboos, aardbei. Nasmaak van kers. Doet denken aan Fanta pomegrenade of cassis. “Prima in het park in de zon, wel wat eentonig. En voor dat geld heb je betere bubbels.”

Deze wijn is gemaakt van twee druiven: de Regent (1994) en de Cabernet Cartis (1982). Die laatste is dan weer een kruising van drie andere druiven. In Nederland wordt veel gebruikt gemaakt van zulke kruisingen – je moet wat, immers, om de druiven te laten gedijen in ons matige wijnklimaat…

Wijn 2 – NEDERLAND: Colonjes Knapse Witte, Groesbeek 2016, 13 euro
(o.a. te koop bij Nijmeegse wijnhandels)

Licht dierlijke aroma’s, maar weinig geur. De smaak heeft aanvankelijk iets weg van viognier, maar dat verdwijnt na een paar slokken. Kruidig, plantaardige smaak ook. “Het smaakt alsof je een kamerplant eet.” Hoog in de zuren. “Heeft bijna iets medicinaals”, aldus de apotheker in het gezelschap. “Alsof je op paracetamol zit te zuigen.” Dat mag allemaal niet zo lekker klinken; we waren best positief over deze wijn. Hij is lekker fris, goed voor een zomermiddag. “Nieuwe punten voor Nederlandse wijn”, noteerde ik namens de tafel.

Ook deze wijn is gemaakt van twee ‘gekruiste’ druiven: Helios (1973) en Riesel (1989). Die laatste is, zoals de naam al doet vermoeden, ontstaan vanuit de bekendere Riesling-druif, en is als het ware de ‘duurzamere versie’ daarvan. Riesel hoeft minder bespoten te worden en is daarmee een ‘praktische druif’.

Wijn 3 – RHEINHESSEN: Pfannebecker Weissburgunder 2017, 10 euro
(o.a. te koop bij Grape District)

Een biologische, veganistische wijn! (Huh, maar is dan niet alle wijn plantaardig, zeg je misschien? Nope, google maar ;-)). Mineralige geur. “De geur klopt niet met de smaak.” Want die is bloemig, met tropisch fruit en toast. Zacht, maar mét een prikkeltje! “De nasmaak is alsof je lemon merengue pie eet.” Ook gehoord: “van die Napoleonballen”. Wederom hoog in de zuren dus ;-) Maar ook perzik, kamille, hooi-achtig, vonden sommigen. Iemand vond deze wijn een ijzeren nasmaak hebben: “alsof je zo’n vork in je mond hebt die net niet helemaal lekker smaakt”. Boeiende wijn, in elk geval. Geen hout.

Zelf gaf ik deze wijn 3/5 sterren op Vivino.

Wijn 4 – ELZAS: Willm Riesling Réserve 2017, 10 euro
(o.a. te koop bij Grape District)

Héle strakdroge Riesling uit de Elzas. Mineralige aroma’s! Wat voor mineraal? Petroleum, rubber, latexgeur, noteerde ik, kijkend naar mijn wijn-aromawiel. Hij komt wel binnen, deze Willem. “Ik weet nog niet of ik hem lekker vind, maar hij is wel curieus”, aldus één van de aanwezigen. Een ander moest aan kaasfondue denken – Emmentaler! Na een hap kaas smaakte Willm overigens veel beter, daar waren we het over eens. “Die benzinelucht gaat er dan een beetje af.”

En o ja, het etiket vonden we unaniem ‘knullig’. Voor één clublid was dat zelfs reden om Willm voortaan links te laten liggen.

Wijn 5 – RHEINHESSEN: Becker Landgraf J2 Spätburgunder – Sankt Laurent 2014, 10,50 euro
(o.a. te koop bij Kwestie van Smaak in Utrecht)

Ja, en tóen gingen we los hoor. Wauw. Hallelujah. Voor het eerst die avond zag ik iedereen écht enthousiast slurpen. Tja, een goede spätburgunder (pinot noir) uit de Elzas is natuurlijk ook geen partij voor die Hollandse witjes. Toch, toen ‘ie werd ingeschonken had niemand aan de onschuldig dieproze kleur verwacht dat we hier met Serieus Lekkere Wijn te maken hadden. Oogde alsof het naar rood fruit ging ruiken, maar het tegendeel bleek waar. In de woorden van B: “Ik had een rood huppelig wijntje verwacht, maar dat is het helemaal niet.”

Koffiegeur, aards! Bij het proeven: “mmmm, karamel”. “Misschien wel de lekkerste rode die ik ooit dronk.” Toch ook rood fruit in de mond, “geen 3000 kilo tannines”. “Deze wijn zou briljant zijn bij vijgen.” Eindconclusie: “nee, dit had ik echt niet aan zien komen.”

Interessante vraag: (hoe) had dit toch nog relatief zachte rood zich staande gehouden naast een serie rode knallers? Of vonden we ‘m vooral lekker omdat ‘ie zo’n contrast vormde met het voorgaande?

Wijn 6 – NEDERLAND: Duetinghem 838 Pinotin/Cabertin, Doetinchem 2015, 15,95 euro
(o.a. te koop bij Hinkelman in Utrecht)

Robijnrode kleur. Ruikt aards en muffig, maar ook naar chocola. “Natte kelder- of aardelucht.” Smaakt naar tabak – wel op de lekkere manier dan, vinden de meesten (ik was er zelf niet zo van). “Alsof je een pakje shag opentrekt.” Beetje rood en zwart fruit in de mond – kers, braam. Wat hout.

Deze Achterhoekse wijn is een combinatie van wederom gekruiste druiven: Pinotine en Cabertine. Hoewel de spätburgunder dé verrassing van de avond was, had niemand zien aankomen dat deze laatste wijn uit Nederland afkomstig was. Whut?, was de reactie. Vooruit, een briljánte wijn vond ik het niet, maar het was zeker een prima glas dus de stelling dat Nederlandse wijn per definitie weinig soeps is, gaat niet meer op. “Doeti’m nog maar een beetje.”

DE WINNAAR: ja, dat was nogal duidelijk. Het zwijmelen begon pas écht deze avond toen het rood op tafel kwam. O spätburgunder, wat was je heerlijk. Zullen we nog eens?

EN LAAT DEZE MAAR ZITTEN: sorry, LingeParel. Leuk geprobeerd, zo’n Nederlandse bubbel, maar je redt het écht niet bij je mediterrane soortgenoten.

OOK LEUK OM TE WETEN: de Rijn ontspringt in Zwitserland en daar maken ze óók wijn. Hele goeie zelfs! Alleen..ze exporteren het nauwelijks. Slechts 1 procent, om precies te zijn. Dus hoewel F en M ons graag een Zwitserse wijn hadden laten proeven, is het hier gewoon niet te krijgen.

Verbeelding

Vanmorgen las ik Femke Halsema’s boekje ‘Macht en verbeelding’ uit, dat ik voor mijn verjaardag had gekregen van mijn goede vriend J. Het boekje is eigenlijk een essay, dat Halsema schreef voor de Maand van de Filosofie in maart dit jaar. In rake observaties laat ze zien hoe de Nederlandse politiek vanaf de jaren tachtig “technocratisch en repressief” is geworden. “Aan de hand van werk van filosofen als Richard Rorty en Hannah Arendt pleit ze vurig voor een terugkeer van idealisme, verbeelding en hoop”, valt te lezen op de achterflap.

Interessante materie, en Halsema kan sowieso boeiend schrijven. Maar één passage, op bijna de laatste bladzijde, raakte me in het bijzonder:

Er zijn (…) problemen die enkel door de verbeeldingskracht in te roepen, door een andere samenleving te schetsen, kunnen worden ontleed en misschien wel worden opgelost. (…) Het vergt verbeelding en creativiteit om het onderwijs en de gezondheidszorg te bevrijden van het controlefetisjisme van semipublieke managers en bestuurders en het opnieuw, kleinschaliger en eenvoudiger, te organiseren. En voordat de regels voor de landbouw, de energievoorziening, de ruimtelijke ordening of het openbaar vervoer weer eens worden aangepast, zou eerst een toekomstbeeld van onze stedelijke samenleving moeten worden ontwikkeld.

Halsema zegt dus: we kunnen niet zonder verbeelding en creativiteit. Door alles te rationaliseren, te willen controleren, sla je het dood. Je verliest de idealen, de hoop, de helikopterview, het (diepere) waarom. Misschien zelfs wel – dit is mijn toevoeging – de levensenergie, de drive.

Dat gaat niet alleen op voor de samenleving, realiseerde ik me. Het geldt evengoed op persoonlijk niveau. Ik merk het als ik bijvoorbeeld loop te piekeren over mijn relatie, als een vriendschap even wat stroef loopt of als ik een paar moeizame dagen heb op mijn werk. Op een gegeven moment helpt het niet meer, om heel analytisch, technisch en ‘rationeel’ te proberen het probleem te ontleden en de mogelijke oplossingsrichtingen stapsgewijs na te gaan. Je praat en denkt jezelf – en elkaar – vast.

Wat wél helpt, is een paar stappen achteruit doen. Wat zouden we samen willen? Waar willen we heen? En hoe zie ik mezelf daarin? Waar gaat mijn hart sneller van kloppen?

Stoppen met nadenken. Voelen, visualiseren. Je verbeeldingskracht gebruiken.

Ik moet denken aan een verhaal dat B’s vader een keer vertelde. Je moet weten dat B’s ouders – net als mijn moeder overigens – best eco-hippies zijn. Zonnepanelen op het dak, dat is dus een logische keus, vond zijn moeder al jaren. Zijn vader was er minder enthousiast over en dat zorgde voor de nodige discussies. Tot vader op een gegeven moment bedacht: wat wil ik nu eigenlijk? Ik wil met mijn vrouw samenzijn, en in harmonie met haar leven. Dat wil ik liever, dan dat ik géén zonnepanelen wil. En vanaf het moment dat hij die langetermijnwens visualiseerde, kon hij het loslaten. Hij wist nu wat hij echt belangrijk vond. De strijd over de zonnepanelen was voorbij.

Verbeelding, creativiteit, fantasie en spel – ze zijn belangrijker dan we met z’n allen denken. Ze vervullen ons, geven betekenis. Ja. Zo, en dan ga ik nu maar weer eens een stukje pianospelen.