Skip to content

Maand: maart 2016

Dun

Columniste Elma Drayer schreef vandaag in de Volkskrant dat de mode-industrie en graatmagere modellen weinig te maken hebben met de verschrikkelijke ziekte anorexia nervosa. Want: er zijn evenveel meisjes met anorexia als in de jaren vijftig, toen Marilyn Monroe met haar maat 42 (dat toen overigens nog maat 36 heette) de covers sierde.

Het is een oude, vermoeiende discussie die al jaren loopt en  steeds weer uitmondt in twee kampen: “Ja, het westerse schoonheidsideaal en graatmagere modellen dragen bij aan eetstoornissen bij meisjes”, en: “Nee, dat is in de verste verte niet het geval”.

Drayer schaart zich in het tweede kamp. Te veel eer voor de mode-industrie, schrijft zij, om te beweren dat die bijdraagt aan eetstoornissen bij vrouwen. Maar wat nu als de onderliggende vraag niet eenvoudig met ja of nee te beantwoorden is? Waarom proberen we steeds met z’n allen erachter te komen of iets onder alle omstandigheden wel of niet zo is?

Als ik zo om me heen kijk, en dat optel bij mijn eigen ervaringen en de dingen die ik hoor van vriendinnen, concludeer ik: veel vrouwen hebben wel degelijk ‘last’ van het ideaal van dun-zijn waarmee onze samenleving doordenkt is. Tegelijkertijd kan ik natuurlijk alleen voor mezelf spreken. Er zullen vast ex-eetgestoorde vrouwen zijn die in alle oprechtheid zeggen dat beelden van andere dunne vrouwen voor hen totaal geen rol hebben gespeeld.

Waarom kan het niet allebei waar zijn?
(O ja, als opiniemaker is het natuurlijk niet populair om de middenweg op te zoeken.)

Nog een gedachte: misschien is het niet zozeer het dunne ideaal zélf dat zo veel invloed kan hebben, maar wordt dit versterkt door het gebrek aan een weerwoord. Waar zijn de voorbeelden van mooie, krachtige, sterke vrouwen – dun, dik en alles daartussen – die tienermeisjes vanaf hun twaalfde in alle oprechtheid op het hart drukken dat het normáál is om heupen en billen te krijgen? Dat een laagje ‘buikvet’ hoognodig is om vruchtbaar te zijn? Dat het lógisch is dat je op je 22e niet meer past in de spijkerbroek die je kocht toen je 16 was? En dat je op sommige momenten in je leven nu eenmaal minder strak in je vel zit dan op andere?

Kortom: dat het er allemaal bij hoort, ook al is het soms/vaak best lastig en eng om vrouw te worden, geen meisje meer te zijn?

Ik zeg niet dat die voorbeelden er helemaal niet zijn. Maar in mijn ogen zijn ze er wel te weinig. Want laten we wel wezen, áls een vrouw openlijk verkondigt dat rondingen toch best wel OK zijn, dan is ze zelf vaak stevig, en dat is voor veel jonge meiden al een reden om daar maar met half oor naar te luisteren. ‘Want ja als je zo denkt dan word je zoals zíj, en dat wil je toch ook niet.’

Of een of ander glossy magazine doet een ‘plus size-special’, onder het politiek-correcte mom van ‘kijk hier besteden we ook aandacht aan en dit is óók prima’ – maar daarmee bevestigen ze eigenlijk de status quo en aan het eind van de dag verandert er weinig.

Natuurlijk is het niet de mode-industrie alléén die maakt dat een meisje anorexia ontwikkelt. Maar ik ben er wel van overtuigd dat ík veel minder body issues zou hebben (gehad), wanneer de vrouwen om me heen openlijk zichzelf en elkaar anders, positiever, benaderden. En dus: wanneer de samenleving (waar die mode-industrie deel van is) minder is gericht op afvallen, dun & ‘perfect’ zijn.

Zeker toen ik terugkwam uit Taiwan, viel het me op hoezeer vrouwen hier in Nederland (maar vast ook elders) zo vaak afgunstig naar elkaar zijn. Ik vind dat zo jammer. Net als dat ik het jammer vind om te zien dat de discussie over schoonheidsidealen vaak zo uitmondt in extremen. Ook vrouwen die medisch gezien geen anorexia ontwikkelen, kunnen niettemin behoorlijk worstelen met hun lichaam – telt dat dan niet?

Al dat geworstel dat ik om me heen zie, het ge-weeg, ge-tel, al die nare schuldgevoelens over wat nu wel of niet te eten: het voelt als zo onnodig. En ik denk dus dat dat wél kan veranderen, als we een andere mindset ontwikkelen. Eentje waarin het oké is om vriendschap te sluiten met je lijf – wat dat dan ook voor jou persoonlijk betekent. En waarom zou de mode-industrie dát niet uit kunnen dragen?

Wat ik maar wil zeggen: laten we elkaar nou eens aanmoedigen in plaats van afkraken.

PS. Nu zijn er misschien mensen die denken: ja, jij hebt makkelijk praten met je slanke lijf en je hardlopen en jij kunt vast alles eten, bla bla et cetera. Maar weet je, júist daarom. Omdat ik geloof dat alle regels en richtlijnen het raam uit flikkeren je veel verder helpt. Als ik me dagelijks volprop met Bon Bon Bloc  groei ik óók dicht. Maar dat wil niet zeggen dat het niet soms goed is om een reep weg te werken. ;)

1 reactie

Vinex

Al een jaar woon ik nu in Utrecht Leidsche Rijn, de grootste Vinex-wijk van Nederland. Wat dóe je daar in godsnaam op je 24e, zul je wellicht zeggen. Dat vereist wat context, want vorig jaar rond deze tijd waren heel veel dingen anders.

Ik werkte in Amsterdam, op de media-redactie van de Volkskrant.
Doordeweeks woonde ik tijdelijk in een studiootje in de Jordaan, ‘s weekends pakte ik mijn koffer en treinde naar Nijmegen.
Mijn lief was op uitwisseling in Frankrijk en zou eind maart na een half jaar terugkeren (is dit echt nog maar een jaar geleden??)
Samen hadden we nog zijn studentenstudio-met-loft van 33 vierkante meter, waar ik dus in het weekend vaak was.
Hij studeerde nog, had een masterscriptie te schrijven.
Ik had al vier jaar amper een kilometer hardgelopen.

In die tijd zat ik na mijn lange werkdagen vrijwel elke avond op huizenverhuursites. Koortsachtig, soms wanhopig zocht ik naar woonruimte: in Amsterdam, in Haarlem, in Utrecht en zelfs in Almere. Voor ons samen, soms in een opwelling toch ook weer alleen voor mezelf. Het was vreselijk moeilijk plannen, want m’n freelancecontract bij de krant liep tot eind maart en daarna lag er nog geen plan. En wat wilden we nou eigenlijk zélf?

En toen was er ineens de Funda-advertentie van dat mooie appartement in Terwijde. Te koop, weliswaar, maar daardoor tijdelijk te huur. Een telefoontje, een mail, een bezichtiging – en een paar weken later (T. was nog maar twee dagen terug in Nederland) kregen we de sleutel.

Als de dag van gisteren herinner ik me dat moment. Het regende toen we in mijn turquoise Simca Horizon uit ’78 op de verder lege parkeerplaats stonden. Dolgelukkig maakten we een paar duizend euro over (huur, borg, inboedel), waren blut, vierden dat met een klein flesje champagne.

Twee dagen later ging ik hardlopen. En nu, een jaar later, zijn we yuppen, DINKies (Double Income, No Kids) met elk zo onze eigen quarter life crisis, maar gelukkig ook met een héle fijne plek om thuis te komen – bij elkaar en in dit huis.

Ja, ik houd enorm van ons huisje. Deze 68 vierkante meter, de rode hoekbank, de heerlijke keuken met vaatwasser, inductiekookplaat en de planken waar al mijn potten met rijst-pasta-suiker-linzen-enzovoorts op staan. De chille badkamer, het ruime gevoel dat een nieuwbouwwoning geeft. Het Máximapark waar we op uitkijken, de spoorweg waar elke tien minuten een trein langs komt (die we amper horen, gelukkig).

Maar niet: de zilvervisjes die nog steeds door de kieren kruipen. Sommige zijn gigantisch. (Blijkbaar is dit een ding van nieuwbouwwoningen.) En ook niet: altijd minstens een half uur fietsen door de open velden, vaak met harde wind en almaar rechtdoor, voor je eens in de bewoonde wereld (lees: Utrecht) bent.

Nu zijn ze onlangs hier tegenover met bouwen begonnen. Tja, dat krijg je in een Vinex-wijk. Wat een half jaar geleden nog een groen veld met wuivend lang gras was, is nu een stuk grond vol stenen, beton en dagelijkse herrie. Afschuwelijk hard gaat het, niet alleen in decibellen. In januari werd de eerste paal in de grond geslagen en nu is de begane etage bijna klaar en staan de steigers gereed om de hoogte in te gaan.

In gedachten zeg ik mijn open uitzicht, en de zon in de woonkamer, vast gedag. Straks kan ik niet eens de treinen meer zien langsrijden – een ritme waar ik inmiddels best aan gewend ben geraakt. Straks kijken we tegen een muur aan.

En eerlijk is eerlijk: na een jaar rust en stilte om me heen (het bouwlawaai daargelaten) verlang ik steeds vaker naar wat reuring. Gewoon ‘s avonds even de stad in kunnen lopen, een kop thee drinken in een leuk café. Makkelijk(er) de fiets op stappen om nog even langs een vriendin te gaan. Yogales volgen – daar twee keer negen kilometer voor fietsen vind ik gewoon te ver.

Misschien zeur ik. Is het gewoon de quarter life crisis die weer opspeelt – want is het ooit ergens perféct? If you’re not happy here and now, you’ll never be.

Toch: soms is het tijd om de boel wat op te schudden. En als het leven uitzichtloos voelt, moet je wellicht gewoon dat uitzicht veranderen.

Het uitzicht vandaag.
Het uitzicht vandaag.
Laat een reactie achter

Proefballon

Tussen 2006 en 2014 was ik blogger. Soms regelmatig, soms met tussenpozen van weken of maanden. Maar begin 2015 werd het stil hier op Suushi; ik gooide een MAINTENANCE MODE op de site en dat was dat.

De reden was eenvoudig: aangezien mijn naam bijna dagelijks in een landelijk dagblad verscheen, voelde ik me niet meer vrij om de persoonlijke teksten uit mijn studententijd – en daarvóór – voor iedereen zichtbaar te laten. Logisch ook, met reaguurders die altijd uit zijn op een relletje en zakenrelaties die je liever niet het achterste van je tong laat zien.

En eerlijk gezegd ook: met dagelijks schrijvende collega’s om me heen. Stiekem was ik bang dat die Grote Ervaren Talenten m’n persoonlijke krabbelteksten zouden lezen – en afkeuren. En dat schrijft dan voor de Vólkskrant?

Toch heb ik het altijd gemist. Want niet bloggen betekent in de praktijk bij mij helemáál niet meer schrijven over het leven, een sporadische notitie daargelaten. Als ik niet schrijf, kom ik niet – of in elk geval mínder – tot mezelf. De woorden zijn m’n houvast. En juist daarom is het ook zo belangrijk wat en waarover ik schrijf.

Een tijdje terug ben ik ergens anders, anoniem, begonnen weer te bloggen. Omdat sommige woorden er nu eenmaal uit willen. Omdat schrijven mijn gedachten ordent; omdat ik zonder schrijven niet echt goed weet wie ik nou ben. Of wat ik wil.

En laat dat nu net iets zijn waar je als 24-jarige soms behoorlijk over kunt piekeren.

Vorige week besloot ik hier op Suushi weer te beginnen; ik deelde mijn verslag van de halve marathon en daarna ook van de Stevensloop. Maar ik wil niet alleen maar schrijven over hardlopen. Ook hier wil ik kunnen zeggen wat me drijft, waarover ik pieker, hoezeer ik soms twijfel over alles. Maar in de grotemensenwereld – en al helemaal in het wespennest dat de journalistiek soms kan zijn – lijkt dat not done. Je kunt jezelf er lelijk mee in de vingers snijden. Als je je mond opendoet, vindt iedereen wat van je.

Maar, vraag ik mezelf, is dat een goede reden om helemaal niets meer te zeggen? (Om dan maar te schuilen, ondergronds te gaan?)

Voor het eerst zeg ik hardop tegen mezelf: het antwoord op die vraag is nee.

OK, misschien is het niet noodzakelijk om je hart uit te storten op internet. Waarom kan dat niet achter gesloten deuren, zou een criticus kunnen zeggen. Maar weet je, er gebeurt al zo veel achter gesloten deuren. Ik vind het belangrijk om open te kunnen zijn over dingen. Om zaken bespreekbaar te maken, zelfs al is dat doodeng.

Om me heen zie ik zo veel mensen worstelen. En ik zie de samenleving worstelen. Ik wil iets dóen, ik wil helpen om dingen te veranderen. De pen is machtiger dan het zwaard, zo luidt het bekende gezegde. Cliché? Misschien. Naief en ambitieus? Vast.

Maar het is tijd om te stoppen om zo over mezelf – en jullie over mij, en ik over jullie – te oordelen. Laten we alsjeblieft beginnen met leven, met tolerant zijn. Dat alles begint met durven, met lef.

Vandaar deze kleine proefballon.

 

2 reacties