Skip to content

Suushi. Posts

Kriebel

In alle eerlijkheid: ik vind het nog niet zo makkelijk hoor, bijna elke dag een stukje tikken. O Suusie, vraag je je af, waarom doe je jezelf dat dan aan? Simpel: ik wil schrijven. Ik wil de routine terug, groeien. En het mooie is dat ik nu, na een week of vier, inderdaad merk dat dat lukt.

Nee, natuurlijk zijn nog niet alle blogs even scherp. Hoewel ik ze heus een paar keer nalees, zie ik de volgende dag vaak alweer dingen die ik anders had willen doen. Maar ik heb besloten m’n perfectionisme opzij te zetten en gewoon te schrijven. Te schrijven én te plaatsen. Ik moet dan denken aan woorden die een vriendin ooit zei: pas op dat je jezelf niet zó in de weg zit, dat mensen die eigenlijk minder goed zijn je gaan inhalen – omdat ze minder kritisch zijn, meer durven en vaker oefenen.

Dóór dus. En zowaar, het begint me weer te overvallen. Op de fiets of in de trein, of gewoon terwijl ik in een dagelijkse situatie beland: de observatieblik. Het ‘hé-hier-kan-ik-over-schrijven’-kriebeltje. Dan is het of de woorden zich vanzelf vormen in m’n hoofd en eigenlijk moet ik dan meteen even pen en papier (of smartphone) pakken, die zinnen noteren voor ze vervliegen.

Kijk, díe kriebel wilde ik wakker maken. Daar heb je dus helemaal geen dure schrijfretraites of ontwaaksessies voor nodig. Dat kun je gewoon doen, hier en nu. Simpelweg door het te gaan doen. (Geldt overigens niet alleen voor schrijven, Des had daar een heel mooi stukje over.)

Soms heb ik zelfs al wat geschreven maar zijn er woorden over, meer woorden die eruit willen. Kortom, het begint te borrelen, te vloeien en dat was precies de bedoeling. Immers, om er maar weer een Stephen King-quote in te gooien: amateurs just sit and wait for inspiration, the rest of us just get up and go to work.

Aan het werk dus. Dan maar mét die spookjes in m’n hoofd. Misschien ken je dat ‘zitten mensen hier wel op te wachten’-gevoel, het ‘ik kan ook best een stukje per week maken’-gefluister (dat wordt er uiteindelijk géén, leert de ervaring), die gedachten in de categorie ‘het laatste blogje had minder likes dan dat ervoor, was het dan minder goed?’

Ja, want dat dan toch even: één ding aan dit nieuwe schrijfritme bevalt me minder goed. Bij wijze van experiment plaatste ik afgelopen vier weken m’n stukjes direct door op Facebook. Dat leverde inderdaad een stuk meer lezers op en laten we eerlijk zijn, elke schrijver wil gelezen worden. Wat het echter óók meebracht, was onrust. Continu-Facebook-checken. (En dan ook meteen Twitter. En Instagram. En LinkedIn.) Socialmediaverslaving ligt al snel op de loer en pas toen ik dit weekend drie dagen vrij was, besefte ik wat dat met me doet: ik raak weg bij mezelf.

Dus nee, weer even van de socials af. Dan maar wat minder lezers – misschien is het net als met vrienden, de mensen die je echt om je heen wilt weten je toch wel te vinden. Ga ik nu mooi weer verder met wat ik in dit leven wil doen: gehoor geven aan die kriebel.

Laat een reactie achter

Bruggetje

Tussen Veenendaal en Utrecht stond de trein plots stil. Links en rechts weilanden, coupé vol forenzen. Ik sloeg er nauwelijks acht op – een sein staat wel vaker op rood – en ging verder met het mailtje dat ik aan het typen was. Na tien minuten, reizigers begonnen onrustig om zich heen te kijken, klonk de machinist door de intercom. ‘De trein vóór ons heeft een aanrijding met een voertuig. We weten nog niet of we verder kunnen.’
 
Twintig minuten later was de intercity nog geen meter opgeschoten. Ik hoorde mensen ‘schat-ik-ben-wat-later’-telefoontjes plegen en uiteindelijk, het liep tegen zessen, was daar opnieuw de conducteur: helaas, we gingen terug naar Ede en Arnhem. Reizigers naar Utrecht konden het beste met het boemeltje via Amersfoort. Plus anderhalf uur, zag ik in de NS-app.
 
Toen gebeurde er wat moois. ‘Zeg’, stootte het meisje tegenover mij me aan, ‘ik heb een Greenwheels gehuurd in Ede en rijd naar Amsterdam. Je mag mee.’ Tof!, zei ik, maar ik moet naar Utrecht, ik weet niet of dat handig is? ‘O, ik heb de auto in Ede staan en rijd naar Driebergen-Zeist’, zei een andere vrouw, ‘stap maar in hoor, zij – ze wees op de vrouw tegenover haar – gaat al mee.’ De jongen tegenover haar kon er ook nog bij.
 
Tegen de tijd dat de trein het station binnenreed, wist iedereen bij welk groepje gestrande reizigers ‘ie hoorde. In een slinger liep mijn eigen bij elkaar geharkte gezelschap het perron af. We waren al bij de trap toen een klein meisje me aantikte. ‘Kan ik er ook nog bij?’
 
Zo belandde ik met Mariëlle, Jade, Saskia en Luuk in een dikke Range Rover. ‘Ik ben autogek’, verklaarde Mariëlle. ‘En deze vind ik de allermooiste die er bestaan. Helaas worden ze niet meer gemaakt.’
 
Grappig toch, hoe je naar iedereen wel een bruggetje kunt bouwen. Saskia werkte bij het CITO, vertelde ze, het was haar baan om geschiedenisexamens in elkaar te zetten – en laat ik dat nu net hebben gestudeerd. Jade op haar beurt bleek coassistent, ‘bijna klaar’, ze wilde dermatoloog worden en ik dacht aan mijn B z’n verhalen over het medische vak. Luuk en Mariëlle hadden het voorin nog steeds over Range Rovers – niet mijn ding, maar met een vader die graag aan oldtimes sleutelt kan ik me ook bij die passie wel iets voorstellen.
 
Het werd kortom nog best gezellig. Goed, al snel belandden we in dikke file dus qua tijd had ik waarschijnlijk evengoed via Amersfoort kunnen reizen. Twee kilometer voor de afslag zuchtte Mariëlle dat ze haar eetafspraak beter had kunnen cancellen en ik vroeg me in stilte af of ze een beetje spijt had van haar barmhartige actie.
 
Dus Mariëlle, je leest dit vast niet maar áls: nogmaals bedankt voor de lift in die stoere bak van je. Je deed meer dan een lift geven; je trok mensen van hun forenzeneilandje. We bouwden bruggetjes van saamhorigheid, al was het maar even, oefenden elkaar te helpen en te láten helpen. Voelden dat we elkaar nodig hebben, als mensen.
 
Hoe moe en hongerig ook; daar kom ik met liefde wat later voor thuis.
1 reactie

Hier

Zo, wat een dag was het hè. Hoewel, eigenlijk raar dat ik dat zeg, want voor mij leek het inderdaad een werkdag als alle andere. Oké, vanwege de treinpersoneelstakingen begon ik vanmorgen vroeg aan de keukentafel – als ervaren treinreiziger heb ik één ding geleerd en dat is niet de ellende opzoeken als het niet hoeft. Na de spits reizen dan maar.

Had je me geobserveerd, dan had je kunnen zien dat ik langer dan ‘na de spits’ aan die keukentafel bleef zitten. Zo nu en dan stond ik op voor een kop thee, een glas water, een toiletbezoek. Twee keer voerde ik een telefoongesprek van een half uur. Maar verder was het op het oog een normale dag.

Maar dat wás het niet.

‘Er is iets met schieten in Utrecht, blijf maar even binnen’, stuurde mijn baas net voor twaalven. Ik stond op het punt naar Nijmegen te gaan. Whut? Inderdaad, op NU.nl en Twitter viel al van alles te lezen. Schoten in een tram, misschien een dode. #24oktoberplein was trending. Niet veel later belde een andere collega: ‘ik hoor dat er ook schoten op de Uithof zijn, kom nog maar even niet hierheen’.

Dat van de Uithof bleek gelukkig niet waar. Maar de sirenes loeiden, heli’s zoemden boven m’n hoofd en op Twitter probeerde iedereen te volgen wat er gebeurde. Politieacties bij een appartement – hé, was dat niet het huis van een vriendin? Intussen stond m’n telefoon roodgloeiend. In appgroepen lieten we elkaar weten dat we veilig waren. Ook mensen die ik niet vaak spreek, stuurden ineens een berichtje: alles goed met jou?

Ineens was het hier. Wat dat ‘het’ precies is, wisten (en weten) we trouwens helemaal niet. Onwerkelijk was het wel. Ik dacht aan het boek over Breivik dat ik onlangs las – en begreep waarom veiligheidsdiensten het dreigingsniveau direct opschaalden naar vijf. Ik begreep ook ineens hoe het is als je wereld onzeker en onveilig voelt. Als in je eigen stad plots van alles kan gebeuren – en dan niet positief.

Want ja, inmiddels is de dader (pardon, verdachte) gepakt. Ze noemen hem al ‘doorgesnoven gek, geen terrorist’. Er zijn geen explosies geweest, geen moorden op andere plekken in de stad.

Maar op dat moment wéét je het niet.

Rond drie uur ‘s middags wist ik wel een paar andere dingen. In mijn stad zijn vandaag drie mensen vermoord en vijf verwond. Scholen en ziekenhuizen waren dicht. Blijf binnen, zei de burgemeester. Twee vriendinnen konden niet naar huis omdat daar politieacties plaatsvonden. Eén van hen liep zelfs nog buiten rond, wachtend op een bus die niet kwam – helemaal gerust was ik er niet op. Utrecht was wereldnieuws. En de heli’s bleven maar vliegen.

Zelf ging ik uiteindelijk niet naar Nijmegen. Wel liep ik rond zes uur, we mochten weer naar buiten, even de stad in om boodschappen te doen. Op weg naar de Twijnstraat viel me op hoe het toch ook een dag als alle andere was. De zon scheen, het kruispunt bij Ledig Erf was een doodnormaal gekriskras van fietsers, voetgangers en auto’s. Albert Heijn was spitsdruk als altijd. Nergens iets van angst, onrust of zelfs maar verwarring te merken. Zelfs de bus reed weer.

Het strookte nauwelijks met de nieuwsfeed die ik net nog had zitten lezen: bioscopen dicht, theatervoorstellingen afgelast, horeca gesloten. ‘Spookstad.’ Vrienden en kennissen die zichzelf ‘als veilig hadden gemarkeerd tijdens de schietpartij in Utrecht’. Allemaal óók waar.

Tegelijkertijd leken mijn Nijmeegse collega’s nauwelijks bezig met het geweld. Kwam mijn liefste een uur later veilig thuis met de mededeling dat ‘op de weg alles normaal was, behalve dat ik afgelopen tien minuten minstens twintig politieauto’s tegenkwam’. Aten we curry met bloemkool. Vertelden we elkaar over onze dag.

Wat zijn er toch veel werelden tegelijk. En wat verdrietig, dat sommige stadsgenoten geen wereld meer hebben na vandaag.

1 reactie