Bubbels

Vrijdagavond, etenstijd. We hadden net een flesje wijn opengetrokken – Portugees wit, zes euro bij Grape District; ik was daar binnengelopen met de opmerking ‘het is nogal het eind van de maand, qua budget, maar ik wil wel iets lekkers drinken vanavond’ – en ik weet niet meer hoe het gebeurde, maar opeens zaten we middenin een gesprek over de vluchtelingencrisis.

Trump die kinderen in kooien stopt, wij in Europa die óók onmenselijk omgaan met migranten, onze hypocrisie daarin (we roofden eerst de wereld leeg en lieten ‘m achter in ellende en nu de gevolgen op onze deur kloppen, geven we niet thuis), Faces of Auschwitz, je eigen reactie als er een azc in je achtertuin komt, waarom die nieuwe videoclip van Beyoncé en Jay-Z vanuit cultureel oogpunt zo gaaf is en wat ‘opvang in de regio’ nu eigenlijk wil zeggen.

Nu moet je weten dat mijn B zijn nieuws doorgaans uit één bron haalt: De Speld. En hoewel ik een stuk minder ingelezen ben dan in de tijd dat ik bij de krant werkte, volg ik (meestal) wel (min of meer) wat er gebeurt in de wereld. Over het bovenstaande moet ik dan ook feitelijk zeggen: ik had een gesprek. Mijn tafelpartner, gaar na een lange werkweek, keek me wat glazig aan, knikte eens mee, nam nog een slok wijn.

Ik zag mezelf in rap tempo al die verschillende verhalen en meningen opratelen en dacht ineens: wow, ik ben een stuk verontwaardigder dan in tijden. En dat komt door één ding: Twitter. Eerder die week had ik dat weer op mijn telefoon geïnstalleerd en tijdens m’n dagelijkse treinuurtjes scrollde ik eindeloos door de feed, lezend wat de wereld zegt, vindt, denkt, signaleert.

Of nee, wat de 800 overwegend links-progressieve Twitteraars die ik volg, delen. Want hoe had dat vrijdagavondgesprek eruit gezien, als ik de hele week gevoed was met meningen uit de hoek van Thierry Baudet c.s.? Was ik dan nóg verontwaardigder geweest over de onzin daarvan? Ik vrees van niet. Stel dat ik jarenlang nieuws zou lezen over vluchtelingen die Europa ‘bedreigen’. Dat ik alléén maar opiniestukken zou tegenkomen over hoe de ‘linkse elite’ ons land verwoest. De factcheck van dit soort tweets langs me heen zou gaan. Mijn ouders zich ook boos en benadeeld zouden voelen – en we dáárover zouden praten, ’s avonds aan de eettafel.

Ik denk dat ik dan heel anders naar de wereld zou kijken. En dat al die Twitter-berichten dat wereldbeeld zouden versterken. Maar hé, gebeurt dat nu niet ook?

Vanmorgen nam ik een besluit. Alle maatschappelijk relevante discussies ten spijt, die Twitter-app is weer van mijn telefoon. Want eerlijk is eerlijk: in je hoofd blijft met al die meningen weinig ruimte over. Concentratie begint ook weer een dingetje te worden. Dus dan ga ik nu maar eens naar de bieb. Tijd voor een goed boek.

Jong

Je hebt van die mensen, die altijd jonger of ouder worden geschat dan ze zijn. Groep 8-meisjes met veel vrouwelijke vormen en/of make-up. Of juist kleine vrouwen van begin dertig, die steevast worden aangezien voor 18- of 20-jarige. Jongens die laat in de puberteit komen. Mannen die vroeg grijs worden.

Ik was nooit zo iemand, althans niet bewust. Hooguit werd ik als tiener iets ouder geschat, doordat ik lang was (en natuurlijk HARTSTIKKE SLIM, mwuhaha). Maar, merk ik, sinds ik werk – en dat is toch alweer een jaar of vier – is dat veranderd. Zeker de laatste tijd krijg ik opvallend vaak opmerkingen naar mijn hoofd in de categorie ‘O, hoe oud ben je dan eigenlijk? Goh, 26, ik had je veel jonger geschat’. Of klanten denken dat ik stage loop bij Einder, in plaats van dat ik er WERK als schrijver/adviseur.

Ook veel gehoord: ‘Wat studeer je? O, je werkt al? Net begonnen? Niet? O, haha…’. Vorige week nog, toen ik bij de kaaswinkel 48,25 euro moest afrekenen (ja oeps, er zat ook wijn en olijfolie bij) en de mevrouw in de winkel noemde dat ’48 euro en een kwartje’. Om eraan toe te voegen: ‘al weet jij misschien niet eens meer wat dat zijn, kwartjes’.

Toen ik haar erop wees dat ik 27 word en toch in elk geval zakgeld kreeg in guldens, was haar reactie: ‘goh ja, je hebt ook zo’n jeugdig uiterlijk’. Dat was dan nog vriendelijk bedoeld. Een paar jaar geleden was ik op een feestje met vooral oudere vrouwen, en daar werd ik als 23-jarige vijftien geschat. VIJFTIEN! Kom op. Zo erg is het toch niet?

Vond ik het als beginnend Volkskrant-journaliste vaak niet zo vervelend om jong geschat te worden (want ja, dan lijk je toch een interessant talent, en vooruit: ik wás toen ook ‘maar’ 22/23), steeds vaker begin ik me er een beetje aan te ergeren. Want hoe leuk het misschien lijkt om er “jeugdig” uit te zien (in elk geval ben ik nog geen oude rimpelkop, ha!), ik krijg er vaak het gevoel door dat ik eerst een hoop te bewijzen heb. Vooral op de werkvloer. Leek mijn baan als verslaggeefster voor de Volkskrant en het AD nog automatisch een soort stempel van kwaliteit met zich mee te brengen, in de communicatiewereld ben je als ‘jong en lief-uitziend meisje’ niet meteen binnen, heb ik soms het idee.

In andere woorden: mensen onderschatten vaak je kwaliteit. Jong = onervaren = minder kundig. ‘Waarom is je ervaren collega niet mee?’ ‘Doe jij dit project alleen, of is <ervaren collega> ook betrokken?’

Eerlijk is eerlijk: zodra ik in gesprek ga met klanten en relaties – en zeker als ze me langer kennen – maak ik het ruimschoots “goed”. Toch klinkt, zeker bij nieuwe contacten, meer dan eens lichte verbazing door in hun reactie op de producten en diensten die ik lever. Dat was trouwens ook al zo wanneer ik iemand interviewde voor de krant. Alsof de geïnterviewde niet helemaal had verwacht dat dat jonge ding dat kwam praten ook daadwerkelijk iets noemenswaardigs uit haar pen zou krijgen.

Misschien zit het ook deels in mijn hoofd, hoor. Heb ik er nog moeite mee om mezelf als volwaardige vrouw te zien. Spiegelt deze overtuiging door in de reacties die ik lees bij anderen. En toch. Af en toe zou ik graag wat meer gewicht hebben – figuurlijk dan. Of zou het daadwerkelijk helpen als ik zwaarder was, meer vrouwelijke vormen had? Moet ik meer make-up opdoen, me anders kleden (al te jeugdige gympen en t-shirts draag ik bewust allang niet meer)? Of gewoon minder fucks geven en schijt hebben, lekker doen waar ik zin in heb?

Ja, dat laatste, natuurlijk. Misschien dat een zeker(der) houding alléén al heel wat doet. En toch. Toch is het soms jammer om te merken dat mensen pas met me over inhoud gaan praten als ze op m’n LinkedIn hebben gekeken – en zien dat ik niet die stagiaire ben die net komt kijken. Soms is het jammer dat ik me daardoor bijna beginner ga voelen – vergetend dat ik al vier jaar financieel onafhankelijk ben en een vuistdikke map in de kast heb staan vol door mijzelf geschreven artikelen in landelijke kranten.

Soms denk ik: was ik maar vast wat ouder. Maar nee, zo wil ik niet denken. Het is toch juist gaaf dat ik op mijn 26e de dingen doe die ik doe – en dat ik vanaf hier alleen nog maar verder kan groeien.

“Neem jezelf niet zo serieus”, zeggen we soms wel tegen elkaar. Nou, weet je, ik geloof dat het tijd wordt dat ik dat wel ga doen. In elk geval: mezelf niet meer zo onderschatten. Want ja, als ik al vraagtekens zet bij mijn eigen ervaring, is het voor een ander heel makkelijk om er nog een paar bij te plaatsen.

Toch? ;-)

Anders rennen

Gisteren, toen ik mijn vierde Marikenloop liep, gebeurde er iets nieuws. Iets bijzonders, eigenlijk wel.

Wie mij kent, weet dat ik altijd Meer, Beter en Verder wil. In mijn werk, in persoonlijke doelen, maar ook met hardlopen. En wie me een beetje beter kent, of hier regelmatig meeleest, weet dat ik bezig ben om die eisende kant – die ook een keiharde ‘nooit-genoeg’ met zich meebrengt – wat kleiner te maken.

Het was een van de redenen dat ik na de halve marathon van Stockholm, in september vorig jaar, een tijdje nauwelijks rende. Hardlopen was te veel een ‘moeten’ geworden. Gewoon twee keer in de week een rondje was niet meer genoeg, nee, er zaten allemaal doelen, snelheden, eindtijden in mijn hoofd en als ik die niet haalde, was ik ontevreden. Bovendien heeft de lat die ik mezelf opleg de neiging te verschuiven; haal ik hem, dan stel ik het doel bij naar NOG hoger.

Tja, zo blijft natuurlijk niemand op de lange termijn gemotiveerd.
Bovendien: da’s niet echt vriendelijk, naar jezelf.

Maar ja, naast dat hardlopen goed voor mijn conditie is en ik me er lekkerder in mijn vel door ga voelen, is het OOK gewoon leuk om te doen. Dat ‘leuk’ begin ik de laatste tijd weer terug te vinden. Lekker naar buiten, hartslag omhoog, rennen in de zon en langs het water. De natuur in, frisse lucht opsnuiven, sterker worden. Met 1 belangrijk ding dat ik daarbij in het oog houd: niet meer te hard zijn voor mezelf. Niet te veel eisen, niet te ver hoeven, niet te snel willen.

Dat laatste staat natuurlijk haaks op het lopen van een wedstrijd. Tegelijkertijd is een hardloopwedstrijd wel een supergoede stok achter de deur, een leuk doel én een gezellige activiteit. En dus dacht ik: kom maar op met die Marikenloop!

De 50 minuten die ik maanden terug als geschatte eindtijd had ingevuld, stelde ik drie weken geleden al bij naar 55. Of: “gewoon lekker uitlopen”. In mijn trainingen merkte ik dat dat 50 minuten-doel een blok aan mijn been begon te worden; ik haalde bij lange na de snelheden niet, voelde me er slecht door, raakte gestresst. Ineens dacht ik: waarom zou ik eigenlijk perse dat zelfgestelde doel willen halen? Voor wie? Who cares als ik drie minuten langzamer loop, of vijf, of tien?

Ik ben geen topsporter. Dit is mijn hobby. Het moet wel leuk blijven.

Bovendien: stel ik mezelf 50 minuten als doel en loop ik 51 minuten, dan voel ik me ontzettend gefaald. Is 55 minuten mijn doel en loop ik 52, dan ben ik superhypermegablijdiktevreden. Kortom, het is allemaal ontzettend relatief.

Goed, die Marikenloop. Waar het in andere steden met hardloopwedstrijden gisteren nog ontzettend HEET was, hadden wij geluk: een kwartier voor de start begon het keihard te regenen. Verkoeling! Ik ging dan ook heerlijk van start. 4’58 min, zei mijn app na een kilometer. Oeps, dacht ik, pas op Suusie, niet te hard starten. Dit is eerder misgegaan.

Maar ik voelde me eigenlijk gewoon prima, en dacht: ik kan altijd wat langzamer gaan lopen als het zwaar wordt.

Zwaar, dat werd het na 5 kilometer. Niet gek, want ik vloog nog steeds met 12 kilometer per uur over het parcours. En toen het na ruim 6,5 echt een beetje pittig begon te worden, realiseerde ik me: Suusie, wat doe je eigenlijk?

Wat ik deed was wat ik altijd doe als ik fanatiek word: kiezen op elkaar, gevoel uit, verstand op nul en GAAN. Doorbijten, ja, dat kan ik wel. Maar zoals vriendlief laatst al terecht opmerkte: “Jouw doel is nu niet om alles op 200% te doen. Dat kun je al; als jij wilt ga je ervoor en dan haal je het toch wel. Jouw echte uitdaging ligt erin om tevreden te leren zijn met minder. Om zachter naar jezelf te worden. Dat is voor jou veel moeilijker dan doorbikkelen en dus mag je veel trotser zijn als DAT lukt, dan wanneer je weer sneller of beter bent geworden in iets.” Hij heeft natuurlijk gelijk. En dus besloot ik: OK, ik loop hier dan wel op een persoonlijk parcours-record af, echt lekker loop ik niet meer.

Bij de 7 km-waterpost stopte ik met rennen. Ik pakte een bekertje, nog één, goot er eentje in m’n mond en een over mijn hoofd, wandelde een paar passen.

Achteraf gezien kostte dit alles hooguit een halve minuut. Maar de daad was groter dan dat; het was een keuze voor kindness.Het was luisteren naar de signalen van mijn lichaam. Gas terug nemen, ook als je best nog verder kunt. En juist op een moment dat alles in mij zei: GA HARDER GA MEER, GA VOOR HET RECORD.

De laatste 3 kilometer liep ik minder op mijn tandvlees. Oké, toegegeven, het allerlaatste eindje was nog best pittig – maar op dat moment wist ik: dit is te doen, ik kan dit, het gaat goed. (En eerlijk is eerlijk, ook een beetje: als ik dit tempo nu nog 3 minuten volhoud ben ik sneller dan vorig jaar ;-))

Ik finishte in 50:21 min; een kleine minuut sneller dan een jaar geleden. Nee, geen PR; maar god, ik liep echt 100 keer fijner dan toen ik in oktober die 48-minuut-nog-wat eruit perste tijdens de Singelloop. Dus ja he, inkoppertje natuurlijk, maar waar gaat het dan eigenlijk om?

Had ik dat 50 minuten-doel gehouden, dan was ik waarschijnlijk balend over de finish gekomen. Had ik mezelf dat rustmomentje bij de 7K niet gegund, dan waren de laatste 3 kilometer waarschijnlijk slopend geweest.

Maar ik gunde het mezelf wel. Ach, ik had vast onder de 50 minuten gekund. Maar dat was niet mijn doel. Zachter zijn was mijn doel en zacht zijn, dat deed ik. En daar ben ik eigenlijk nog veel blijer mee, dan met die 50:21.